In een vonnis van 20 oktober 2022 boog de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel zich – opnieuw – over de invulling van het begrip “anciënniteit”, een sleutelbegrip bij het berekenen van de opzeggingstermijn. Centraal in deze zaak stond de vraag op welk moment de anciënniteit precies stopt met lopen.
Feiten : 7 jaar of net niet?
Een werkneemster die sinds 16 januari 1991 in dienst was, werd op 31 december 2020 ontslagen met onmiddellijke ingang. Ze ontving, volgens het systeem van de “dubbele foto”, een opzeggingsvergoeding gelijk aan:
- het loon voor 129 dagen (voor de anciënniteit die ze had opgebouwd tot en met 31 december 2013); en
- het loon voor 21 weken (voor de periode vanaf 1 januari 2014).
Het dispuut draaide rond deze tweede periode.
Volgens de werkgever had de werkneemster net geen 7 jaar anciënniteit opgebouwd sinds 1 januari 2014, maar slechts 6,997 jaar. Daardoor viel ze in de anciënniteitschijf van 6 tot minder dan 7 jaar, wat recht geeft op een opzeggingsvergoeding van 21 weken loon. Pas vanaf 1 januari 2021 zou ze de kaap van 7 jaar bereikt hebben. Aangezien het ontslag met onmiddellijke ingang gebeurde, dient de anciënniteit immers te worden vastgesteld op het moment van ontslag.
De werkneemster betwistte dit. Volgens haar had ze op 31 december 2020 wél al 7 volledige jaren dienst achter de rug sinds 1 januari 2014, en viel ze dus in de volgende anciënniteitschijf van 7 tot minder dan 8 jaar. Dan zou ze recht hebben op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 24 weken loon.
De werkneemster beriep zich hierbij op artikel 37/4 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dat stelt dat opzeggingstermijnen worden berekend met inachtneming van “de verworven anciënniteit op het ogenblik dat de opzeggingstermijn ingaat.” Voor de werkneemster valt het einde van de anciënniteit samen met het moment waarop de opzeggingstermijn of de opzeggingsvergoeding aanvangt.
De werkneemster vorderde daarom een aanvullende opzeggingsvergoeding van drie weken loon.
De werkgever bleef bij zijn standpunt en stelde zelfs een tegenvordering in wegens “tergend en roekeloos geding.”
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgde de redenering van de werkgever.
Omdat het ontslag met onmiddellijke ingang vóór middernacht werd doorgevoerd, begon het zevende jaar anciënniteit pas om 00u01 op 1 januari 2021. De werkneemster had dus 6,997 jaar anciënniteit opgebouwd sinds 1 januari 2014, net geen 7 jaar.
De werkgever heeft dan ook terecht een opzeggingsvergoeding van 21 weken loon toegekend voor de periode vanaf 1 januari 2014, op basis van de anciënniteitschijf tussen 6 en 7 jaar.
De rechtbank ging zelfs verder en beschouwde de vordering van de werkneemster als “tergend en roekeloos”: de werkneemster werd veroordeeld tot het betalen van een symbolische schadevergoeding van 1 euro bovenop de gerechtskosten.
Belang van het vonnis
Deze uitspraak bevestigt (nogmaals) dat de anciënniteit, in geval van ontslag met betaling van een opzeggingsvergoeding, wordt berekend tot op het ogenblik van de eigenlijke verbreking. Door de onmiddellijke ingang van het ontslag is de anciënniteit definitief verworven op het ogenblik van de verbreking, nl. de rechtshandeling die de ononderbroken dienst bij dezelfde onderneming onderbreekt.
Enkel bij een ontslag met een opzeggingstermijn telt de dag vóór de start van de termijn (altijd een zondag) als referentiepunt voor de anciënniteit, zoals bedoeld in artikel 37/4 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Deze zaak onderstreept het belang van een correcte en nauwkeurige berekening van de anciënniteit bij het bepalen van opzeggingsvergoedingen. Eén dag – of zelfs één seconde – kan daarin het verschil maken.
Fr. Arbrb. Brussel, 20 oktober 2022, AR 21/4743/A

Sarah Lamarti Messous
Advocaat