De rechtbank van eerste aanleg in Brussel sprak zich hier recent over uit in het kader van een aansprakelijkheidsgeschil tussen een gemeente en de Pensioendienst. De Pensioendienst ging volgens de gemeente in de fout bij de behandeling van een pensioenaanvraag, meer precies bij de berekening van de (vroegst mogelijke) pensioendatum. Bijgevolg meende de gemeente dat de Pensioendienst zijn verantwoordelijkheid moest opnemen en de hierdoor berokkende schade vergoeden. Daarom spande zij een rechtszaak aan tegen de Pensioendienst.
Hoe kwam het zover? Een ambtenaar bij de gemeente richtte meermaals een pensioenaanvraag aan de Pensioendienst. Naar aanleiding hiervan had de Pensioendienst eerst aan de gemeente meegedeeld dat het pensioen inging op 1 mei 2019. Bij een latere aanvraag kwam de Pensioendienst evenwel op haar stappen terug. Zo deelde hij plots aan de gemeente mee dat het pensioen niet zou ingaan op 1 mei 2019, maar wel reeds op 1 mei 2018. Ook verzocht hij de gemeente om tijdig een ontslagbesluit op te stellen. Deze tweede berekening bleek echter fout te zijn en de Pensioendienst verstuurde enige tijd later een derde brief waarin hij verduidelijkte dat de eerst meegedeelde datum (in 2019) toch de juiste was.
Bijgevolg zag de gemeente – die in tussentijd een vervangster had aangenomen en opgeleid – zich genoodzaakt om de ambtenaar tot de nieuwe pensioendatum in dienst te houden. De gemeente startte een procedure op t.a.v. de Pensioendienst omdat zij van mening was dat zij hierdoor schade had geleden (o.a. het loon dat zij teveel had moeten betalen voor twee personen met dezelfde functie).
De rechtbank analyseerde in eerste instantie of er sprake was van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waardoor de Pensioendienst in de fout ging.
Eerst en vooral ging de rechtbank na of het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden was. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid met kennis van zaken een beslissing neemt, rekening houdend met alle aspecten van het dossier.
Na grondige analyse was de rechtbank van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden door de Pensioendienst. Hij is immers als enige verantwoordelijk voor de correcte berekening van de vroegst mogelijke pensioendatum van ambtenaren.
Het verweermiddel dat een eigen fout van de gemeente aan de basis zou liggen van de verkeerde pensioenberekening (omdat zij een diploma ten onrechte zou hebben toegevoegd aan de elektronische databank) kon niet worden gevolgd.
Indien de Pensioendienst een berekening doorvoert in de complexe en steeds wijzigende materie van de pensioenen en laat weten dat men op een bepaalde datum vervroegd met pensioen kan gaan, dan moeten de pensioengerechtigde en de werkgever niet zelf nagaan of de berekening van de Pensioendienst wel correct is. Zelfs al is de algemene tendens dat de pensioenleeftijd steeds maar opschuift, dan legt dit op hen helemaal niet de verplichting om na te vragen of de aangepaste berekening op een vergissing steunt.
Ten slotte haalde de Pensioendienst aan dat de ambtenaar herhaaldelijk pensioenaanvragen zou hebben ingediend met de bedoeling een fout uit te lokken bij de Pensioendienst. Dit werd echter niet aangetoond.
Vervolgens stelde de rechtbank zich de vraag of het vertrouwensbeginsel geschonden was. Het vertrouwensbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat een openbaar bestuur het door haar gewekte vertrouwen niet mag beschamen en dat men moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan.
Volgens de rechtbank was er in deze zaak geen schending van het vertrouwensbeginsel. De overheid heeft het recht om op genomen beslissingen terug te komen en haar beleidsinzichten aan te passen en te wijzigen indien deze daarbij zonder willekeur handelt en zonder schending van het gelijkheidsbeginsel.
Nadat de aansprakelijkheid van de Pensioendienst ingevolge zijn onzorgvuldig handelen vaststond, begrootte de rechtbank de schade. Hierbij nam zij als uitgangspunt dat de Pensioendienst enkel aansprakelijk kon worden gesteld voor de schade die zich zonder haar fout niet zou hebben voorgedaan. Zonder de fout van de Pensioendienst was de ambtenaar hoe dan ook in dienst gebleven tot 1 mei 2019. Wel had de gemeente in dat geval geen vervangster aangeworven en had zij het loon van de vervangster niet gedurende een jaar moeten betalen. De rechtbank was evenwel van oordeel dat de gemeente de ambtenaar of vervangster gedurende deze periode ook elders op de gemeente had kunnen inzetten.
Rekening houdend met dit voordeel, bepaalde de rechtbank de schade van de gemeente op driekwart van de totale loonkost van de vervangster voor één jaar. De Pensioendienst werd veroordeeld tot de betaling van een schadevergoeding van 43.922,04 euro.
Het appeltje voor de dorst brak de Pensioendienst in dit geval zuur op….
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 3de kamer, 4 januari 2021, onuitg. AR 19/1572/A
