Feiten
Een Belgisch chocoladebedrijf (hierna: NV) werd naar aanleiding van een klacht van een van haar (ex) werknemers voorwerp van een fiscale en sociale inspectie door de RSZ, FOD Financiën en Toezicht Welzijn op het Werk. De inspectie kaderde in de uitbetalingen van (aanzienlijke) bonussen aan het personeel.
Uit het gevoerde onderzoek bleek dat twee (gedelegeerd) bestuurders-aandeelhouders aan werknemers van de NV, al dan niet op hun beurt aandeelhouder van de NV, verschillende soorten voordelen (giften) toekenden. De betalingen gebeurden met de privérekeningen van de bestuurders.
De context van deze giften situeert zich in het bijzonder grote succes van de NV. De NV kon, dankzij een speciaal daartoe ontworpen installatie, op grote schaal chocoladechips produceren. De installatie werd ontwikkeld door de bestuurders-aandeelhouders, die de exclusieve rechten hierop aan de NV overdroegen. De bestuurders-aandeelhouders kregen hiervoor op hun beurt royalty’s toegekend van de NV. Gelet op het succes van de NV ontvingen de bestuurders-aandeelhouders aanzienlijke royalty’s en dividenden.
Bij dit project werden zes werknemers-aandeelhouders van de NV betrokken. De bestuurders wilden de zes werknemers persoonlijk hun dankbaarheid betuigen, en besloten hen te begiftigen door hen – in eigen naam – een bankgift te doen. De giften werden berekend op basis van het theoretisch dividend dat ze zouden hebben ontvangen in de veronderstelling dat de NV aan de bestuurders-aandeelhouders geen royalty’s verschuldigd was.
Ook de andere werknemers konden meegenieten van de successen van de NV, daar zij ook een schenking ontvingen, ter grootte van het dividend aan één aandeelhouder, verdeeld op basis van het aantal werkdagen dat elk van hen had gewerkt.
De RSZ was van oordeel dat de aan de werknemers verrichte betalingen loon uitmaakten, en ging over tot ambtshalve regularisatie ten belope van honderdduizenden euro’s. In eerste aanleg kreeg de redenering van de RSZ bijval. De NV tekende hiertegen hoger beroep aan en werd door het arbeidshof in het gelijk gesteld.
Arbeidshof Antwerpen
Het arbeidshof diende zich aldus te buigen over de vraag of de voordelen en giften, toegekend aan de werknemers, loon vormden voor de heffing van de socialezekerheidsbijdragen.
Nu, de bijzonderheid die dit geschil kenmerkt, bestaat erin dat de voordelen aan de werknemers niet werden betaald door de NV zelf (waarmee de werknemers door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden), maar wel door twee (gedelegeerde) bestuurders-aandeelhouders van de NV (derden).
Het arbeidshof herhaalt vooreerst het principe uit de RSZ-wet (art. 14, §2 RSZ-wet) dat stelt dat sociale zekerheidsbijdragen zijn verschuldigd op ‘loon’, hetgeen nader wordt gedefinieerd in de Loonbeschermingswet (artikel 2, eerste lid, 1° en 3°) als zijnde ‘het loon in geld of de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever’.
Daarnaast wijst het hof op de vaste (voor kritiek vatbare) rechtspraak die stelt dat zodra een voordeel als tegenprestatie voor arbeid onder de arbeidsovereenkomst wordt vastgesteld, het niet meer relevant is of dit juridisch of financieel ten laste van de werkgever valt. In zo’n geval is in principe sprake van bijdrageplichtig loon.
Aldus stelt het hof dat: wanneer sprake is van een in geld waardeerbaar voordeel waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking, waarvan niet is vastgesteld dat het de tegenprestatie is van arbeid verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, dit slechts onder het verruimde loonbegrip zal vallen (en dus in principe bijdrageplichtig zijn), wanneer dat recht ten laste van de werkgever is.
Concreet diende het hof dus na te gaan of de giften, toegekend door de bestuurders-aandeelhouders, de tegenprestatie van arbeid in het kader van de arbeidsovereenkomst vormden, dan wel of deze rechten ten laste van de werkgever (de NV) vallen. Hiervoor dienen de toegekende voordelen te worden onderzocht.
Met betrekking tot de giften aan de zes werknemers-aandeelhouders oordeelt het hof dat de oorzaak hiervan in de vrijgevigheid van de bestuurders-aandeelhouders, en niet in de door de werknemers geleverde arbeid lag. Immers, de omvang van de schenking werd gebaseerd op de royalty’s die de bestuurders-aandeelhouders zelf hadden ontvangen, en de werknemers-aandeelhouders ontvingen een gift in functie van hun aandeelhouderspercentage. Noch de prestatie, noch de functie, noch het statuut dat de begunstigden als werknemer hadden, evenmin als de hoedanigheid van werknemer was voor de begiftiging relevant.
Het hof acht het feit dat het financieel resultaat van de NV in rekening werd gebracht bij de begroting van de gift een verwijzing naar de positie van de werknemer-aandeelhouder en niet naar een prestatie als werknemer, zodat het voordeel niet als een tegenprestatie van arbeid kan worden beschouwd.
Ook de giften aan de andere werknemers werden niet als tegenprestatie van arbeid beschouwd. Het hof herhaalt dat duidelijk uit het dossier blijkt dat de bestuurders-aandeelhouders aan de hand van de hen uitbetaalde royalty’s zelf beslisten welk bedrag zij schonken aan de werknemers.
Deze bedragen werden aldus niet verlaagd of verhoogd indien de begiftigden minder of meer zouden hebben gewerkt en staan los van de geleverde prestaties. Enkel bij de bepaling van de onderliggende verhoudingen tussen de verschillende begunstigden hebben de bestuurders-aandeelhouders rekening gehouden met de gewerkte dagen.
Het arbeidshof besluit dan ook dat de voordelen verstrekt aan de werknemers niet als tegenprestatie van arbeid kunnen worden beschouwd. De voordelen kunnen in zo’n geval, zo stelt het hof hierin gesteund door cassatierechtspraak, dus slechts onder het verruimde loonbegrip vallen wanneer dat recht ‘ten laste van de werkgever’ valt (de NV). Dit is ook niet het geval, besluit het hof.
Immers, het zijn de bestuurders-aandeelhouders (en niet de NV) die autonoom, uit vrijgevigheid, hebben beslist om een schenking te doen, en dit uit hun privaat vermogen. Deze beslissing staat aldus volledig los van de NV, die de verbintenis tot toekenning niet is aangegaan, en hiervoor dus evenmin een financiële last draagt.
Het arbeidshof besluit dan ook finaal dat door de RSZ ten onrechte werd overgegaan tot regularisatie van de toegekende bedragen. De RSZ wordt dan ook veroordeeld tot terugbetaling van de betaalde socialezekerheidsbijdragen aan de NV.
Marcel Dejonghe
LEES MEER OP HRSQUARE.BE:
- Een kwart van de ondernemers werkt (bijna) dagelijks tijdens hun vakantie
- Terug van weggeweest: de proefperiode
- Annelies Daenen wordt nieuwe Directeur HR & Communicatie bij Imelda vzw
- Prof. Wouter Vleugels: “Culturele fit is niet het probleem, wel hoe je ermee omgaat”
- Tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen onder de loep: rechtbank kijkt naar de cijfers