In een zaak die werd voorgelegd aan het arbeidshof te Brussel, vorderde een bewakingsagent achterstallig loon voor overwerk. De werkgever argumenteerde dat de werknemer een ‘vertrouwenspost’ vervulde, zodat deze buiten de voorziene uurroosters kon werken, zonder dat de werkgever hiervoor inhaalrust en/of overloon verschuldigd is.
Geen beslissingsbevoegdheid
Het arbeidshof volgde de redenering van de werkgever niet en veroordeelde hem tot betaling van overloon voor het geleverde overwerk. Het arbeidshof steunde zijn beslissing op de overweging dat het “noodzakelijk en essentieel” is dat de werknemer beschikt over “een bepaald niveau van autonome beslissingsbevoegdheid”, opdat er sprake zou kunnen zijn van een ‘vertrouwenspost’.
Aangezien de werknemer niet over dergelijke beslissingsbevoegdheid beschikte (maar voor elke beslissing zijn overste moest raadplegen), concludeerde het arbeidshof dat de werknemer geen vertrouwenspost bekleedde. Hij had dus recht op het gevorderde overloon.
Hof van Cassatie vernietigt arrest
De werkgever bracht de zaak voor het Hof van Cassatie, dat het arrest van het arbeidshof te Brussel vernietigde. In een arrest van 29 maart 2010 oordeelde het Hof van Cassatie dat het feit dat een werknemer al of niet over een autonome beslissingsbevoegdheid beschikt, niet volstaat om uit te maken of hij/zij al of niet een vertrouwenspost vervult. Hiermee wordt de trend in de rechtspraak bevestigd waarbij de begrippen ‘vertrouwenspost’ en ‘leidende functie’ een eerdere ruime invulling krijgen.
Dit cassatiearrest is uiteraard interessant voor de werkgevers die geconfronteerd kunnen worden met een vordering tot betaling van achterstallig loon en/of overloon van hun werknemers. In dat geval komt het erop aan om na te gaan of de betrokkene een functie vervult die al of niet kan worden beschouwd als een ‘leidende functie’ of een ‘vertrouwenspost’. Het Hof van Cassatie heeft alvast aangegeven dat het niet volstaat dat een werknemer aantoont dat hij/zij geen autonome beslissingen kan nemen, om aan te nemen dat dit niet het geval zou zijn.
Hof van Cassatie, 29 maart 2010, AR 50.104 & 50.144, onuitg.