Relatief gezien zijn vrouwen hoger opgeleid dan mannen: 31,5 procent van de vrouwen heeft een diploma hoger onderwijs, tegen slechts 27,4 procent van de mannen. Die kloof is de laatste tien jaar sterk toegenomen. In 1999 waren de cijfers nog 23,4 procent voor de vrouwen en 22 procent voor de mannen.
Dezelfde evolutie ziet men op de arbeidsmarkt. De categorie hooggeschoolde arbeidskrachten wordt nu beheerst door vrouwen (885.500 vrouwen tegen 833.000 mannen). Terwijl de werkgelegenheidsgraad van mannen de laatste tien jaar ongeveer gelijk is gebleven, is die van vrouwen met 5,6 procentpunt gestegen. Sinds 2003 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse stijging zelfs 0,7 punt.
Bron: FOD Economie