Algemeen wordt aangenomen dat een bonus verkregen wordt in functie van de verrichte arbeid. Hieruit volgt dat een bonus – behoudens andersluidende bepalingen – in principe pro rata verschuldigd is bij uitdiensttreding tijdens de referteperiode.
In een arrest van het Arbeidshof te Brussel van 30 maart 2018 werd nogmaals bevestigd dat van deze principiële deelbaarheid van bonussen kan worden afgeweken. In deze zaak vorderde een werknemer die tijdens de referteperiode van een bonus ontslagen werd – onder meer – de betaling van een pro rata bonus. In de arbeidsovereenkomst van deze werknemer waren de volgende toekenningsvoorwaarden van de bonus opgenomen:
- realisatie van de doelstellingen
- tijdens het referentiejaar gedurende zes maanden effectieve arbeidsprestaties hebben geleverd
- in dienst zijn op het ogenblik van de uitbetaling van het variabel loon.
De partijen waren het erover eens dat de werknemer niet meer in dienst was op het ogenblik van uitbetaling van de bonus. De werkgever stelde dat de werknemer daarom – in toepassing van de voorwaarden – geen recht had op een bonus.
De werknemer beweerde echter dat de pro rata bonus wel verschuldigd was en beriep zich hiervoor op artikel 1178 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens dit een artikel wordt een voorwaarde geacht vervuld te zijn wanneer degene die zich verbonden heeft zelf de vervulling van deze voorwaarde verhindert. De werknemer argumenteerde dat de werkgever – door de arbeidsovereenkomst te beëindigen – zelf de vervulling van de voorwaarde van tewerkstelling op het ogenblik van betaling had verhinderd en dat deze voorwaarde hierdoor alsnog als vervuld moest worden beschouwd.
Het Arbeidshof bevestigde vooreerst het principe dat een bonus wordt verkregen door het verrichten van arbeid en dus in principe splitsbaar is. Niettemin kan bij overeenkomst worden afgeweken van deze principiële deelbaarheid. Het Hof stelde voorts dat – in tegenstelling tot wat de werknemer beweerde – de regel uit artikel 1178 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing was omdat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever met betaling van een opzeggingsvergoeding geen (contractuele) fout uitmaakt. Het Hof oordeelde dan ook dat een toekenningsvoorwaarde die vereist dat de begunstigde in dienst moet zijn op het ogenblik van de betaling van een bonus rechtsgeldig is. De vordering van de werknemer tot betaling van de pro rata bonus werd dan ook afgewezen.
Uit dit arrest blijkt nogmaals dat het van belang is duidelijke regels vast te stellen over de toekenningsmodaliteiten van de bonus, met name in geval van uitdiensttreding tijdens de referteperiode of vóór uitbetaling van de bonus. Deze afspraken kunnen geldig tot stand komen en ook worden afgedwongen in rechte, wat partijen de nodige zekerheid en duidelijkheid verschaft.
Arbh. Brussel 30 maart 2018, AR 2016/AB/1166
