Een leidinggevende, die tegelijk personeelsafgevaardigde was, schakelde een ondergeschikt werknemer in om de terugbetaling van uitgaven door zijn werkgever te bekomen, door deze laatste kostennota’s te laten indienen en, na betaling door de werkgever, hem deze kosten te doen doorstorten op zijn privé rekening. Bij ontdekking hiervan startte de werkgever de procedure tot erkenning van de dringende reden. De arbeidsrechtbank van Antwerpen (afdeling Hasselt) erkende dat de ingeroepen feiten een dringende reden uitmaakten en bevestigde hiermee eerdere rechtspraak van het Arbeidshof van Luik van 18 maart 2022 over gelijkaardige feiten.
Feiten
In casu ontdekte de werkgever dat een leidinggevende, tevens personeelsafgevaardigde, systematisch en voor een lange periode de controle op zijn kostennota’s omzeild had, met tussenkomst van een ondergeschikte werknemer (die intussen niet meer in dienst was). Meer specifiek bleek dat de beschermde werknemer aan zijn ondergeschikte opdroeg om kosten op te nemen in zijn eigen kostennota’s, die de leidinggevende vervolgens goedkeurde. Na betaling ervan door de werkgever diende de ondergeschikte werknemer deze kosten door te storten op de privé rekening van de leidinggevende. De gewezen ondergeschikte werknemer beschreef de situatie in een gedetailleerde verklaring.
Dit noopte de werkgever ertoe om voorafgaande procedure op te starten tot erkenning van het ontslag om dringende van de leidinggevende, die als personeelsafgevaardigde ontslagbescherming genoot overeenkomstig de Wet van 19 maart 1991.
Beoordeling
In het vonnis splitste de arbeidsrechtbank Antwerpen (afdeling Hasselt) de beslissing over de rechtmatigheid van het verzoek tot erkenning van de dringende reden uiteen in een beoordeling van het bewijs van de feiten enerzijds en een beoordeling van de ernst van de ingeroepen feiten anderzijds.
De arbeidsrechtbank oordeelde dat zij geen twijfel had over de inhoud van de verklaring van de (gewezen) werknemer en dat deze ondersteund werd door de overige stukken van de werkgever.
Wat de ernst van de ingeroepen feiten betreft, trachtte de beschermde werknemer zijn handelingen met betrekking tot de kostennota’s te rechtvaardigen door te stellen dat deze handelswijze vaak voorkwam in het bedrijf en louter te wijten was aan gemakzucht. Bovendien zou zijn eigen hiërarchisch overste nog een controle uitoefenen op deze onkostennota’s.
De arbeidsrechtbank volgde dit niet nu de werknemer geen bewijsstukken bijbracht die deze bewering staafden en uit de kostennota’s duidelijk bleek dat de kosten maar door één persoon werden goedgekeurd. Bovendien bleken bepaalde kosten zelfs in afwezigheid van de ondergeschikte werknemer te zijn gemaakt.
De arbeidsrechtbank oordeelde verder dat dergelijke handelswijze erop neerkomt dat de leidinggevende zijn eigen uitgaven goedkeurde en ongeoorloofde zaken zeker mogelijk waren. Opmerkelijk is dat de rechters het irrelevant achtten of de kosten al dan niet privé uitgaven betroffen.
Volgens de arbeidsrechtbank was de essentie dat de beschermde werknemer zijn onkosten via een ondergeschikte door zijn werkgever wilde laten terugbetalen aan hem, terwijl de werkgever veronderstelde te betalen aan de ondergeschikte werknemer. Deze handelswijze maakte het bovendien onmogelijk voor de werkgever om na te gaan of het om privé dan wel professionele uitgaven ging.
Een dergelijke kostencarroussel maakte naar het oordeel van de arbeidsrechtbank een ernstige tekortkoming uit die de werkgever alle vertrouwen in de beschermde werknemer deed verliezen en elke verdere professionele samenwerking definitief onmogelijk maakte.
Hierbij werd de functie van de beschermde werknemer als een verzwarende omstandigheid aangenomen aangezien hij enkel daardoor de bevoegdheid had om onkostennota’s goed te keuren.
De werkgever verkreeg toelating om de beschermde werknemer te ontslaan wegens dringende reden.
Arbrb. Antwerpen (afd. Hasselt), 24 april 2023, AR nr. 2023/1988, onuitg.

Antoine Bruglemans
Advocaat