“Je mag aan je kleding een eigen draai geven. Deze verandering is de laatste 20 jaar steeds meer doorgevoerd. Het komt er op aan jezelf van de anderen te onderscheiden.” Dat zegt de Nederlandse Merel van ’t Wout in haar boek ‘Kleding genoeg… alles over kleur, figuur, styling en gevoel’. Ze adviseert naast sollicitanten ook receptionisten en bedrijfsdirecteuren bij hun kledingkeuze. Volgens van ’t Wout is het voor vrouwen niet ongepast om in 2006 met armbanden op een sollicitatiegesprek te verschijnen: “Enige vereiste is dat ze passen bij de kleding die deze vrouw draagt. De armbanden geven dan een extra cachet. Ze tonen aan dat de sollicitante oog heeft voor detail.”
Wat de afgelopen jaren niet veranderd is, is het toegelaten ‘blootgehalte’. Het is niet meer strikt noodzakelijk een lange rok te dragen, maar in het algemeen staat meer huid voor minder sérieux. Van ’t Wout stelt: “Je moet compenseren. Een korte rok kan als je een gesloten trui draagt. Een beetje decolleté mag in combinatie met een lange rok.” Merk of standing van kleding is dezer dagen minder belangrijk dan de juiste pasvorm. Een jonge sollicitant moet geen duur maatpak kopen, maar mag ook niet verschijnen in het te grote pak van zijn vader. De modestyliste wijst er verder op dat in sommige sectoren nog altijd standaarden gelden. In het bankwezen en de verzekeringswereld horen mannen grijs te dragen, vrouwen een mantelpak. Voor Merel van ’t Wout is één zaak duidelijk: de vraag naar advies over kleding neemt overhand toe. De keuze is steeds groter en dus moeilijker