Het arbeidshof van Brussel bevestigt een evolutie in de rechtspraak die een falend welzijnsbeleid bestraft met sancties onder het discriminatierecht. Deze tendens betreft een verstrenging van de afdwinging van de wetgeving inzake welzijn op het werk. Het arbeidshof van Brussel brengt deze bevestiging naar aanleiding van een dagvaarding door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen van een werkgever die een inadequaat beleid tegen ongewenst seksueel gedrag op het werk voerde.
Feiten
Een stagiaire die tijdelijk en onbetaald aan de slag was bij een vzw beweerde het slachtoffer te zijn van ongewenst seksueel gedrag op het werk. Zij zou herhaaldelijk benaderd geweest zijn door een mannelijk directielid die haar betastte en ongepaste opmerkingen maakte. Volgens de stagiaire waren ook andere vrouwelijke medewerkers slachtoffer van het directielid.
De stagiaire legde een klacht neer bij de directie van de vzw en diende tevens een verzoek in tot formele psychosociale interventie bij de preventieadviseur van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. De werkgever reageerde met een intern rapport waarin de beweringen van de stagiaire ongeloofwaardig werden geacht en besloot om haar geen nieuw contract te geven. Bovendien dienden zowel de werkgever als de betrokken leidinggevende strafklachten in tegen de vrouw en werd het onderzoek van de preventieadviseur drie maanden gehinderd. Uit het uiteindelijke rapport van de preventieadviseur bleek echter dat er in de voorbije jaren al meerdere incidenten waren gebeurd met dezelfde leidinggevende en dat de werkgever tekortschoot in zijn wettelijke verplichting om feiten van ongewenst seksueel gedrag op het werk te vermijden en te behandelen.
Arrest van het arbeidshof van Brussel van 4 september 2023
Het arbeidshof oordeelde dat de inadequate preventie- en beschermingsmaatregelen die de werkgever trof tegen ongewenst seksueel gedrag indirecte discriminatie vormden op basis van geslacht. Het arbeidshof vond het beleid van de onderneming inadequaat, gelet op de problematische reactie op de klacht van de stagiaire en de totale afwezigheid van de wettelijk verplichte preventie- en beschermingsmaatregelen inzake welzijn op het werk, zoals een risicoanalyse, daarop gebaseerde preventiemaatregelen en informatie voor de werknemers, inter alia over de procedures tot psychosociale interventie.
Deze feiten leidden volgens het hof tot een bijzondere benadeling van vrouwen, die op basis van statistieken disproportioneel meer kans maken om het slachtoffer te worden van ongewenst seksueel gedrag. Bijgevolg werd de organisatie veroordeeld tot een aantal positieve maatregelen om de discriminatie stop te zetten, waaronder het opstellen van een risicoanalyse van ongewenst seksueel gedrag, het nemen van preventiemaatregelen en communicatie aan het personeel van een gedragscode, de contactgegevens van de vertrouwenspersoon en de preventieadviseur en de interne en externe procedures waar slachtoffers van ongewenst seksueel gedrag gebruik van kunnen maken.
Belang van het arrest
Net als eerdere rechtspraak, bevestigt het arrest dat de wettelijk verplichte aspecten van een welzijnsbeleid niet enkel afgedwongen kunnen worden via de strafrechtelijke weg, maar ook via een discriminatievordering bij de arbeidsrechter. Dit vergroot het risico op sancties voor werkgevers die momenteel geen adequaat welzijnsbeleid voeren. Naast een strafrechtelijke vervolging en een veroordeling tot schadevergoedingen, lopen werkgevers nu namelijk ook een risico op sancties op basis van het discriminatierecht, zoals de positieve maatregelen die in casu werden opgelegd. Met het oog op dit risico, is het des te meer aangeraden om de wettelijke welzijnsverplichtingen strikt na te leven en om aandacht te besteden voor risicogroepen in het welzijnsbeleid.
Arbh. Brussel, 4 september 2023, AR nr. 2022/AB/110, Soc.Kron. 2023, afl. 9, 513

Didier Houttequiet
Advocaat