Tekst: Erwin De Deyn | Foto: Hendrik De Schrijver
Het Europees Parlement heeft in september de Europese richtlijn over het minimumloon goedgekeurd. Verbazend dat hier niet meer aandacht aan besteed werd in de pers. Het betreft hier een richtlijn die verder gaat dan het vastleggen van de criteria voor het optrekken van het minimumloon. De richtlijn is ook een echte stimulans om het collectief sociaal overleg de plaats te geven die het verdient.
Als het de laatste weken over lonen ging in de pers, was dit voornamelijk over de indexering ervan. Voor de private sectoren zijn de mechanismen vastgebeiteld in collectieve arbeidsovereenkomsten op sectoraal vlak. Meestal worden de lonen geïndexeerd met 2 procent wanneer de zogenaamde spilindex met 2 procent stijgt. Dit systeem is van toepassing op 42 procent van de werknemers. 38 procent van de werknemers kent het zogenaamde jaarlijkse indexeringsmechanisme: jaarlijks stijgen de lonen dan met de stijging van de afgevlakte gezondheidsindex gedurende het voorbije jaar. Voor de overige 20 procent van de werknemers zijn er nog andere indexeringsmechanismen van toepassing.
Ook het minimumloon wordt in België verankerd in collectieve arbeidsovereenkomsten. Bij gebrek aan een sectorale overeenkomst ter zake, wordt het zogenaamd gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) vastgelegd in een interprofessionele collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad. Op dit ogenblik bedraagt dit 1.879 euro bruto (maandgemiddelde op jaarbasis). Ook dit GGMMI wordt geïndexeerd volgens de 2 procent regel.
“Werken om te leven, niet alleen om te overleven. Als men in België het streefcijfer van de richtlijn wil halen zal het GMMMI toch met een paar honderden euro’s per maand moeten opgetrokken worden.”
De nieuwe Europese richtlijn die binnen twee jaar moet omgezet worden in de eigen wetgeving door de lidstaten, legt geen bedrag vast dat in de lidstaten moet bereikt worden. Wel een streefcijfer: 60 procent van het in de lidstaat van toepassing zijnde mediaanloon en 50 procent van het gemiddelde loon. In België bedraagt dit bruto mediaanloon op dit ogenblik 3.550 euro per maand (dus zonder de jaarlijkse verloningen zoals eindejaarspremie) en het gemiddelde bruto maandloon 3.832 euro. Het streefcijfer van de richtlijn is niet bindend, maar deze referentie betekent toch een sterke morele verplichting om te komen tot een niveau dat moet zorgen voor waardige levensomstandigheden. Werken om te leven, niet alleen om te overleven. Als men in België het streefcijfer van de richtlijn wil halen zal het GMMMI toch met een paar honderden euro’s per maand moeten opgetrokken worden.
De regels en criteria zullen moeten vastgelegd worden in elke lidstaat conform de bestaande regelgeving waarbij collectieve onderhandelingen voorop staan. In concreto zal dat in België dus moeten gebeuren in een interprofessionele cao en/of in de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten.
De richtlijn gaat verder dan het vastleggen van adequate minimumlonen in de lidstaten: 80 procent van de werknemers zouden in de toekomst moeten gedekt worden door een collectieve arbeidsovereenkomst. De lidstaten die dit nu niet bereiken (19 op de 27) zullen een actieplan moeten uitwerken om dit waar te maken. In België is dat gelukkig wel het geval, dankzij de grote dekking van werknemers door sectorale cao’s, net zoals in de Scandinavische landen.
Deze richtlijn is zeker niet ideaal. Ze is echter wel een stap in de goede richting.
Dat de richtlijn een ware boost is voor het collectief sociaal overleg, bewijst ook de bepaling dat openbare aanbestedingen ook moeten rekening houden met voorwaarden dat arbeidswetgeving dient te worden gerespecteerd, samen met het recht om de werknemers collectief te organiseren en het recht op collectief onderhandelen.
Deze richtlijn is zeker niet ideaal. Ze is echter wel een stap in de goede richting. Een stap in de richting van het versterken van het collectief sociaal overleg. Een stap in de richting van adequate minimumlonen die voorkomen dat werknemers in de armoede terechtkomen, ook als ze werken. En sociale dumping minder evident maakt. Een stap ook om de werkzaamheidsgraad te verhogen. Alle Europese werknemers hebben baat bij deze richtlijn. Ook de Belgische. Deze richtlijn mag zeker beschouwd worden als een stap in de richting van meer sociale rechtvaardigheid over de binnengrenzen van de Europese Unie heen. Nu nog waarmaken in de lidstaten. De weg is lang, maar de moeite waard.