In een recent geschil paste de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel dit principe toe. Een ambtenaar diende verschillende malen een pensioenaanvraag in om de datum van de vroegst mogelijke pensionering te kennen, waarop de federale pensioendienst telkens antwoordde met dezelfde datum. Echter, naar aanleiding van de laatste pensioenaanvraag wijzigde de federale pensioendienst de datum waarop de wettelijke voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een rustpensioen voor de ambtenaar voldaan zouden zijn. De datum waarop de ambtenaar op pensioen kon gaan, werd met een jaar vervroegd. In navolging hiervan ontsloeg de gemeente de ambtenaar met ingang vanaf de pensioneringsdatum. De gemeente startte parallel met het ontslag de aanwervingsprocedure voor een vervanger op.
Na enkele maanden kwam de federale pensioendienst terug op haar berekening en bracht de gemeente op de hoogte van het feit dat het pensioen van de ambtenaar pas een jaar na de aangegeven datum zou ingaan. De federale pensioendienst verantwoordde zijn fout door te stellen dat er rekening werd gehouden met een diplomabonificatie, waarop de ambtenaar echter geen recht had. De gemeente zag zich genoodzaakt het ontslagbesluit in te trekken en gedurende een jaar twee personen voor dezelfde functie (de ambtenaar in kwestie en diens vervanger) in dienst te houden.
De vraag rees of de federale pensioendienst het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door de foutieve berekening van de ingangsdatum van pensionering. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid met kennis van zaken een beslissing neemt, rekening houdend met alle aspecten van het dossier. Volgens de federale pensioendienst lag de foutieve berekening echter aan het doorgeven van foutieve data door de gemeente zelf.
Moest de gemeente weten dat de ambtenaar geen recht had op een diplomabonificatie en had de gemeente het diploma dus niet mogen aangeven, waardoor de federale pensioendienst de foutieve berekening niet zou gemaakt hebben?
De rechter oordeelde dat de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet in aanmerking komen van gegevens alleen de federale pensioendienst toekomt en het niet aan de werkgever, noch aan de pensioengerechtigde is om pensioenberekeningen uit te voeren. De complexiteit van de berekening van de loopbaanduur en de vaak onduidelijke wettelijke regelingen maken dat de HR-diensten niet verantwoordelijk zijn voor het nagaan van de berekeningen door de federale pensioendienst.
De rechter stelde de federale pensioendienst aansprakelijk – omwille van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel – voor het betalen van de schade die zich zonder zijn fout niet zou hebben voorgedaan. Zonder de fout van de federale pensioendienst was de ambtenaar weliswaar in dienst gebleven tot de effectieve ingangsdatum van het pensioen, maar zou de gemeente geen vervanger aangeworven hebben. Bijgevolg moet de federale pensioendienst de loonkost van de vervanger vergoeden. Wel hield de rechter rekening met een eventueel voordeel dat de gemeente genoot door het extra jaar dat de ambtenaar had gepresteerd. Hierdoor werd de schade van de gemeente naar billijkheid op drie vierde van de loonkost van de vervanger begroot. Deze beslissing vormt een belangrijk precedent voor HR-diensten die met een gelijkaardige problematiek geconfronteerd worden.
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 4 januari 2021, A.R. 19/1572/A
