Een werknemer die in het kader van een reorganisatie werd ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding, stelde voor de arbeidsrechtbank van Antwerpen dat zij recht had op een vergoeding voor haar resterende opleidingskrediet. Voor 2023 ging het om vier dagen opleidingskrediet en voor 2024 om vijf dagen. Volgens de werknemer volgde dat recht uit artikel 60 van de Arbeidsdealwet. In een recent vonnis spreekt de arbeidsrechtbank van Antwerpen zich uit over de vraag of niet-opgenomen opleidingsdagen bij een ontslag met opzeggingsvergoeding kunnen worden uitbetaald.
Achtergrond
Met de zogenaamde Arbeidsdealwet van 3 oktober 2022 kreeg elke werknemer een individueel opleidingsrecht. Voor voltijds tewerkgestelde werknemers in ondernemingen met minstens twintig werknemers gaat het in principe om vijf opleidingsdagen per jaar. Dat opleidingsrecht wordt verder ingevuld via een sectorale cao of een individuele opleidingsrekening. Om dit opleidingsrecht te registreren en op te volgen, werd het Federal Learning Account (FLA) ingevoerd, een digitaal platform dat een overzicht moest bieden van de beschikbare opleidingsrechten van werknemers. De verplichtingen rond het FLA werden intussen echter opnieuw afgeschaft.
Artikel 60 van de Arbeidsdealwet bepaalt dat een werknemer bij een ontslag dat niet aan hem of haar te wijten is, het recht heeft om het gecumuleerde opleidingskrediet op te nemen vooraleer zijn of haar arbeidsovereenkomst beëindigd is, zoals bijvoorbeeld tijdens de opzeggingstermijn.
Hetzelfde artikel bepaalt ook dat, wanneer de opzeggingstermijn geheel of gedeeltelijk wordt vervangen door een opzeggingsvergoeding, het openstaande opleidingskrediet geldt als een “voordeel verworven krachtens overeenkomst”. De koning kan via een koninklijk besluit bepalen hoe dat voordeel moet worden gewaardeerd en gevaloriseerd. Dat koninklijk besluit bestaat vandaag echter (nog steeds) niet.
Beslissing van de arbeidsrechtbank
De vraag in deze zaak was dan ook wat er moet gebeuren met het niet-opgebruikte opleidingskrediet wanneer een werknemer met betaling van een opzeggingsvergoeding wordt ontslagen en dus geen mogelijkheid meer heeft om de openstaande opleidingsdagen effectief op te nemen. Daarbij speelde mee dat het bevoegde paritaire comité het individueel opleidingsrecht niet verder had geconcretiseerd en dat de werknemer niet beschikte over een individuele opleidingsrekening.
De werknemer stelde dat het niet-opgebruikte opleidingskrediet moest worden uitbetaald en dat de waarde ervan kon worden berekend op basis van het normale dagloon.
De arbeidsrechtbank van Antwerpen, afdeling Antwerpen, volgde die redenering niet en verklaarde de vordering ongegrond. Zelfs indien dit niet-opgebruikte opleidingskrediet wordt aanzien als een voordeel verworven krachtens de overeenkomst, dan nog blijkt volgens de arbeidsrechtbank niet hoe dit voordeel moet worden gewaardeerd. Er bestaat immers op heden nog steeds geen koninklijk besluit waarin de waarde van de individuele opleidingsdagen bij ontslag wordt gevaloriseerd.
De arbeidsrechtbank besloot dan ook dat de werknemer geen recht had op een vergoeding voor deze niet-opgebruikte opleidingsdagen.
De uitspraak sluit overigens aan bij het federale regeerakkoord 2025-2029 waarin de regering-De Wever stelt dat “opgebouwde vormingsrechten geen aanleiding kunnen geven tot een uitbetaling in loon”. Ook eerder werd al in dezelfde zin geoordeeld (Arbrb. Brussel (Nl.) 16 oktober 2025, 24/1816, onuitg.). De discussie lijkt evenwel nog niet definitief beslecht. Andere arbeidsrechtbanken kwamen immers reeds tot een andere conclusie.
Bron: Arbrb. Antwerpen, afd. Antwerpen, 2 februari 2026, 24/3017/A, onuitg.

Nina Van Linden
Advocaat