Kijk naar ‘gewoonlijke tewerkstelling’
In de rechtsleer bestond een strekking die van oordeel was dat, zodra een werknemer in meer dan één land werkte, er geen land van ‘gewoonlijke tewerkstelling’ is, zodat naar het tweede criterium (land van de vestiging die de werknemer in dienst nam) moet worden gekeken.
In het arrest-Koelzsch maakt het Europees Hof van Justitie komaf met deze strekking. Ook wanneer de werknemer in meerdere landen werkt, moet het eerste criterium (de plaats van ‘gewoonlijke tewerkstelling’) in principe worden toegepast. Enkel wanneer het voor de rechter niet mogelijk is te bepalen met welk land de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft, geldt het tweede criterium.
Het Europees Hof van Justitie definieert de plaats van ‘gewoonlijke tewerkstelling’ als ‘de plaats waar of van waaruit de werknemer het belangrijkste deel van de verplichtingen t.a.v. zijn werkgever vervult’. Dit is de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en, bij gebrek aan een zakencentrum, de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.
Zo moet de rechter in dit geval onder meer nagaan van waaruit en waar de werknemer zijn transportopdrachten hoofdzakelijk verricht, waar hij zijn instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.
Geen verrassing
Deze rechtspraak ligt in de lijn met de eerdere rechtspraak van het Hof in verband met de bevoegde rechter en met de Rome I Verordening, die nu uitdrukkelijk bepaalt dat bij gebrek aan een rechtskeuze het toepasselijke recht dat is van het land waar of van waaruit de werknemer ‘gewoonlijk werkt’. De Rome I Verordening is van toepassing op arbeidsovereenkomsten gesloten op of na 17 december 2009.
Europees Hof van Justitie, 15 maart 2011, Heiko Koelzsch/Luxemburg C-29/10