Op 19 februari 2019 werd een ontwerp van ‘Brexit-wet’ ingediend bij de Kamer (het moet nog worden aangenomen) om tijdelijk de gevolgen van een no-deal op te vangen. Het Vlaams parlement keurde op 13 maart 2019 een kaderdecreet goed om de ergste schokken van een no-deal-Brexit op te vangen. Beide voorzien in maatregelen tot en met 31 december 2020 indien het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie zonder akkoord verlaat, maar zullen enkel gelden ingeval van wederkerigheid, dus voor zover en tot zolang het Verenigd Koninkrijk gelijkaardige maatregelen toepast.
Een kort overzicht van wat een deal of een no-deal zou kunnen betekenen op het vlak van arbeidsmigratie en sociale zekerheid, op basis van de nu beschikbare ontwerpteksten.
Deal
Wordt het ontwerpterugtrekkingsakkoord alsnog goedgekeurd, dan verandert er tot 31 december 2020 eigenlijk niets. Het Verenigd Koninkrijk is dan geen lid meer van de Europese Unie maar het ontwerpterugtrekkingsakkoord bevat een transitieperiode tot die datum, tijdens dewelke de Europese regels toch verder worden toegepast. Concreet betekent dit dat gedurende de transitieperiode Britse werknemers verder in België kunnen werken en verblijven zoals voorheen als Unieburgers en omgekeerd Belgische werknemers in het Verenigd Koninkrijk.
Britse werknemers en hun familieleden die op 31 december 2020 in België verblijven (met een E(+)- kaart of F(+)-kaart voor de familieleden die geen Unieburger zijn of een aanvraag hiervoor voor 31 december 2020 hebben ingediend) zullen ook nadien hun verblijfsrechten als Unieburger kunnen behouden. Ze zullen dan een nieuwe verblijfskaart krijgen als begunstigden van het terugtrekkingsakkoord. De Britse werknemers die na 31 december 2020 naar België komen zullen daarentegen als derdelanders worden behandeld en op hen zullen de regels voor de tewerkstelling van derdelanders (arbeidskaart of gecombineerde vergunning) van toepassing zijn.
Ook de Europese sociale zekerheidsregels blijven tijdens de transitieperiode ongewijzigd van toepassing zodat Britse werknemers verder vanuit het Verenigd Koninkrijk naar België kunnen worden gedetacheerd en omgekeerd.
No-deal
Bij een no-deal is het Europees recht niet langer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en worden de Britse onderdanen vanaf dan als derdelanders beschouwd. In principe betekent dit dat zij vanaf dan net zoals Amerikaanse of Japanse werknemers een toelating tot arbeid en verblijf nodig hebben om in België te kunnen werken en verblijven.
Zoals hoger aangehaald werd op 19 februari 2019 bij de kamer een ontwerp van Brexit-wet ingediend. Deze zou pas in werking treden indien er de dag na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie geen akkoord zou zijn. Het ontwerp van de federale Brexit-wet viseert uiteraard enkel deze materies die tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoren. Dit is in arbeidsmigratie een belangrijke nuance omdat de federale overheid enkel bevoegd is voor het verblijf van derdelanders en de vrijstellingen van de toelatingen tot arbeid die verbonden zijn aan de specifieke verblijfssituatie van de buitenlandse werknemer. De regelgeving inzake de toelating tot arbeid daarentegen behoort tot de bevoegdheid van de gewesten en moet dus op gewestniveau worden bekeken.
Wat het verblijf van Britse onderdanen betreft, voorziet het ontwerp van Brexit-wet dat Britse onderdanen en hun familieleden die voor de dag van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie in België verblijven of een aanvraag hiertoe hebben ingediend, hun verblijfsrechten als Unieburgers behouden tot en met 31 december 2020 op basis van wederkerigheid. Voorts zouden er ontwerp-KB’s in de maak zijn zodat ze tijdens deze periode ook verder kunnen werken. Wat er na 31 december 2020 zal gebeuren, is niet uitgetekend.
Daarentegen zullen Britse werknemers die niet voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie in België verblijven vanaf dan als derdelanders worden beschouwd. Concreet betekent dit dat zij vanaf dan een toelating tot arbeid nodig zullen hebben, tenzij ze een beroep kunnen doen op een vrijstelling. Zo voorziet het Vlaams kaderdecreet in een vrijstelling van een toelating tot arbeid voor een tewerkstelling van maximaal 90 dagen doch enkel tot en met 31 december 2020 en op basis van wederkerigheid.
Ook heeft de Europese Commissie een voorstel ingediend om de Britse onderdanen vrij te stellen van een Schengenvisum zodat ze voor maximaal 90 dagen in een periode van 180 dagen in het Schengengebied kunnen verblijven.
In ieder geval is het ten zeerste aangewezen voor Britse onderdanen en hun familieleden die nu in België verblijven maar geen geldige E(+)- of F(+)-kaart hebben om deze zo snel mogelijk aan te vragen.
Wat de sociale zekerheid aangaat, voorziet het ontwerp van Brexit-wet ook in een verdere toepassing van de Europese sociale zekerheidsregels tot en met 31 december 2020, opnieuw enkel en alleen op basis van wederkerigheid. Ook hier geldt dat dit enkel speelt voor de materies die tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoren en dus met uitsluiting van gezinsbijslagen en bepaalde verstrekkingen van langdurige zorg die gewestmateries zijn. Het Vlaams kaderdecreet bevat evenwel in eenzelfde regeling voor de materies die tot haar bevoegdheid behoren.
Belangrijk is wel dat het ontwerp van Brexit-wet stelt dat bij KB de toepassing van bovenstaande overgangsregelingen kan worden gewijzigd of zelfs voortijdig stopgezet. Eenzelfde mogelijkheid is in het Vlaams kaderdecreet opgenomen.
Maar dit verhaal is nog lang niet afgelopen…
Sophie Maes, advocaat-vennoot Claeys & Engels