Een werknemer trad op 1 januari 2017 in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. Op 18 december 2018 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst per aangetekende brief opgezegd met een opzeggingstermijn. Die opzeggingsbrief was door de werkgever verstuurd via Swiss Post, met TNT als onderaannemer. De werknemer stelde dat TNT, als buitenlandse postdienst, niet bevoegd zou zijn conform de Belgische Arbeidsovereenkomstenwet en betwistte dus de geldigheid van de opzegging.
De feiten
De werknemer trof haar opzeggingsbrief aan in de brievenbus, alsof het om een gewone zending ging. Voor haar was er niets ‘gewoons’ aan: ze vond dat de opzegging niet correct betekend werd, omdat de brief via een buitenlandse postdienst was verstuurd en ze niet voor ontvangst had getekend.
Daarom stuurde ze op 3 april 2019 een aangetekende brief naar de werkgever waarin ze stelde dat ze de opzegging als nietig beschouwde. Omdat de opzegging volgens haar niet rechtsgeldig was, bleef de arbeidsovereenkomst volgens haar ook doorlopen.
Bij gebrek aan reactie, keerde ze op 15 april 2019 (na een periode van vakantie en na het presteren van haar opzeggingstermijn) terug naar het werk.
Een dag later, op 16 april 2019, liet de werkgever weten dat haar laatste werkdag al op 8 april 2019 plaatsvond. Er zou een brief met die boodschap zijn verstuurd op 8 april 2019, maar die had zij nooit ontvangen. De werknemer betwistte de geldigheid van de oorspronkelijke opzegging en vorderde een opzeggingsvergoeding omdat zij de brief van 16 april 2019 kwalificeerde als een verbreking van de arbeidsovereenkomst.
Opzegging per aangetekende brief
De Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat een opzegging door de werkgever, op straffe van nietigheid, moet gebeuren via een ter post aangetekende brief of via gerechtsdeurwaardersexploot.
De term ‘ter post aangetekende brief’ is niet strikt gedefinieerd in de Arbeidsovereenkomstenwet. In een arrest van 9 juni 2011 verduidelijkte de Raad van State dat een ‘ter post aangetekende zending’ ook door een andere instantie dan bpost mag worden uitgevoerd, zolang deze aangetekende zending voldoet aan de wettelijke voorwaarden voorzien in de Postwet: er moet een bewijs van afgifte of bestelling van de postzending aan de geadresseerde kunnen worden geleverd en er moet een forfaitaire waarborg worden geboden voor verlies, diefstal of schade.
Een bewijs van ontvangst is dus niet noodzakelijk om te spreken van een ‘aangetekende zending’ volgens de Postwet. Voor de kennisgeving van een opzeggingsbrief volgens de Arbeidsovereenkomstenwet volstaat het om het bewijs van de datum van afgifte van de aangetekende zending bij de postdienst te kunnen voorleggen.
Wat oordeelde het arbeidshof?
Op basis van de wetgeving en rechtspraak bevestigde het arbeidshof dat een opzeggingsbrief niet noodzakelijk via bpost moet verstuurd worden. Het versturen van de opzeggingsbrief via buitenlandse postdiensten is rechtsgeldig, mits ze een bewijs van de datum van verzending of aflevering kunnen leveren en een forfaitaire waarborg bieden voor verlies, diefstal of schade.
Het is niet vereist dat de werknemer persoonlijk tekent voor ontvangst; het bewijs van verzending volstaat. De opzegging was in dit geval dus geldig betekend.
Hoewel dit in deze zaak niet aan de orde was, zal de werkgever, o.a. voor de vaststelling van de startdatum van de opzeggingstermijn, wel steeds het bewijs moeten kunnen leveren van de datum van aangetekende verzending van de opzeggingsbrief. Een louter bewijs van aflevering van de brief aan de bestemmeling volstaat dus niet in het licht van de Arbeidsovereenkomstenwet.
Arbh. Brussel 10 september 2024, 2021/AB/81, Terra Laboris

Nina Van Linden
Advocaat