Dit is een zeer ruime definitie, aangezien niet alle vacatures waarin knelpuntberoepen gevraagd worden ook effectief moeilijk in te vullen zijn. Dit hangt immers ook af van andere factoren zoals arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden binnen het bedrijf, imago van het bedrijf, de sector, …
In de studie ‘Knelpuntberoepen – Analyse vacatures 2010’ werd het onderscheid tussen vacatures voor knelpuntberoepen en knelpuntvacatures voor het eerst naar voren gebracht. Sindsdien heeft de VDAB, in samenwerking met het Steunpunt WSE, bijkomende selectiecriteria ingevoerd om het knelpuntkarakter op de Vlaamse arbeidsmarkt beter te kunnen detecteren.
In de huidige definitie van knelpuntvacatures wordt er ‘getrapt’ gewerkt:
●1. Op de eerste trap staan de ‘knelpuntvacatures’: vacatures voor knelpuntberoepen waarvan de looptijd langer dan 90 dagen is of die geannuleerd werden omdat er geen geschikte kandidaat was.
► In 2010 bedroeg het aandeel knelpuntvacatures 22,4 procent.
●2. Als we het selectiecriterium van de looptijd verstrengen, komen we een trap hoger en vinden we de ‘kritieke knelpuntvacatures’: vacatures voor knelpuntberoepen waarvan de looptijd langer is dan 180 dagen. Ook de vacatures die geannuleerd werden wegens het ontbreken van een geschikte kandidaat behoren altijd tot deze categorie.
► Het aandeel kritieke knelpuntvacatures kwam in 2010 uit op 11,2 procent.
●3. Op de hoogste trap vinden we de ‘geannuleerde knelpuntvacatures’. Dit zijn enkel die vacatures voor knelpuntberoepen die geannuleerd werden wegens geen geschikte kandidaat. Voor deze vacatures kunnen we aannemen dat er mogelijk jobs verloren zijn gegaan.
► In 2010 behoorde 1,5 procent van de door de VDAB beheerde vacatures tot de categorie van ‘geannuleerde knelpuntvacatures’. Dergelijke annulaties kunnen een rem op de economische ontwikkeling zetten.
Het aandeel knelpuntvacatures schommelde het afgelopen decennium tussen 17 en 20 procent. Enkel in de jaren 2001 tot 2003 lag dit aandeel aanzienlijk lager. Indien we focussen op de meer recente evolutie, zien we dat de lichte daling door de economische crisis in 2008-2009 snel werd omgezet in een nieuwe stijging. In 2010 werd voor de eerste keer de kaap van 20 procent overschreden. Het aandeel knelpuntvacatures bedroeg dat jaar 22,4 procent.
Dezelfde evolutie zien we bij het aandeel kritieke knelpuntvacatures. Doorgaans lag dit aandeel net onder 10 procent, met een sterke daling in de jaren 2002 en 2003. In 2010 kwam dit aandeel voor het eerst boven 10 procent te liggen (11,2 procent).
Het aandeel geannuleerde knelpuntvacatures schommelde gedurende de periode 2000-2010 tussen 1,1 procent en 2,4 procent. Dergelijke vacatures vormen het grootste probleem voor de Vlaamse arbeidsmarkt, maar dit cijfer valt gelukkig nog mee.
In het aandeel knelpuntvacatures en kritieke knelpuntvacatures tekent zich dus, weliswaar surfend op de conjunctuurgolven, een stijgende trend af voor de periode 2000-2010.
Knelpuntvacatures en beroepenclusters
Een sterke stijging in het aandeel knelpuntvacatures kan vaak toegeschreven worden aan een welbepaald(e) beroep(encluster). Opvallend is de sterke aanwezigheid van technische beroepen (bijvoorbeeld technicus, installateur sanitair en centrale verwarming), alsook de aanwezigheid van enkele zware knelpuntberoepen zoals verpleegkundige, ingenieur en vertegenwoordiger.
Aangezien de voornaamste knelpuntberoepen vaak ook over het hoogste aandeel knelpuntvacatures beschikken, impliceert werken aan knelpuntberoepen dan ook logischerwijze werken aan knelpuntvacatures.
Conclusie
Het aantal knelpuntberoepen en het aantal vacatures voor deze knelpuntberoepen zijn dus sterk gestegen tijdens het voorbije decennium, al kunnen bij deze stijging enkele kanttekeningen gemaakt worden.
Hoewel ook het aandeel knelpuntvacatures nog steeds behoorlijk hoog ligt, is het toch heel wat minder dan de één op de twee ontvangen vacatures voor een knelpuntberoep. In 2010 was iets meer dan één op de vijf door de VDAB beheerde vacatures een vacature voor een knelpuntberoep waarvoor men er niet in slaagde deze binnen 90 dagen na ontvangst in te vullen.
Ook de stijging in het aandeel knelpuntvacatures was geleidelijker en minder sterk dan men zou verwachten. Desondanks mag deze toename niet genegeerd worden. Door de demografische onderstroom van vergrijzing en ontgroening zal deze trend immers verder negatief evolueren.
Er zijn bovendien beroepen waarvoor een groot aandeel vacatures slechts met zeer veel moeite ingevuld raakt en dat aandeel blijft stijgen. Vooral de technische beroepen scoren wat dit betreft slecht, maar ook ‘klassieke’ knelpuntberoepen als verpleegkundige en medewerker-callcenter blijken nog steeds moeilijk vervulbaar te zijn.
Conclusie van de VBAB: “De VDAB en partners zullen samen met de sociale partners de zeilen dienen bij te zetten om de komende ‘oorlog om talent’ tot een goed einde te brengen. De actuele actieplannen ter bestrijding van de knelpuntenproblematiek en de activering van oudere werkzoekenden zijn noodzakelijke initiatieven hiertoe.”
Bron: VDAB / VDAB Ontcijfert