Laagopgeleide vrouwen van 18 tot 49 jaar zonder kinderen hebben in 37 procent van de gevallen een voltijdse job en in 19 procent van de gevallen een deeltijdse job. Na het krijgen van kinderen is er een sterke terugval. Als het jongste kind 2 jaar of jonger is, werkt nog amper 11 procent van de vrouwen voltijds en 13 procent deeltijds.
De arbeidsparticipatie stijgt opnieuw naarmate de leeftijd van het jongste kind toeneemt. Opvallend is dat de stijging grotendeels te situeren is bij deeltijdse arbeid, wat sterke repercussies meebrengt voor de inkomenspositie en de aard van werk van deze vrouwen. Deze verschuiving richting deeltijdse arbeid maakt duidelijk dat vrouwelijke arbeidsparticipatie niet enkel op korte, maar ook op lange termijn beïnvloed wordt door de aanwezigheid van kinderen.
Dat laaggeschoolde vrouwen in sterkere mate de arbeidsmarkt verlaten na het ouderschap, zou onder meer te maken kunnen hebben met de zoektocht naar een opvangplaats. Laaggeschoolden eindigen die zoektocht proportioneel vaker met lege handen, klinkt het.
Een economische verklaring is dat het voor vrouwen met een lager opleidingsniveau minder kost om uit te treden uit de arbeidsmarkt, omdat ze een kleiner verdienpotentieel hebben dan hoogopgeleide vrouwen.
Bron: FOD Economie