De onderzoekers zien twee oorzaken voor het matige succes van outplacement.
Prijsdaling
Uit het onderzoek blijkt ook dat de veralgemeende verplichting leidt tot een sterke prijsdaling van outplacement. Een belangrijke oorzaak is de opgelegde boete van 1800 euro. Heel wat werkgevers trachten de kosten voor de begeleiding zo laag mogelijk te houden en zijn vaak niet bereid om meer te spenderen dan de boeteprijs. De wetgeving zorgt dus voor een neerwaartse prijsevolutie.
Heel wat HR-bedrijven zien outplacement daarnaast als een groeimarkt: dit leidt tot een expansie van het aantal outplacementbedrijven en dus ook voor dalende prijzen. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor de inhoud van de begeleiding en zet de kwaliteit onder druk. Sommige outplacementkantoren trachten de kostprijs te drukken door hun begeleidingsmethodiek aan te passen, met name door groepsoutplacement aan te bieden in plaats van individuele opvolging, minder contacturen, meer gestandaardiseerde pakketten… In dit opzicht gaat de democratisering van outplacement gepaard met aanpassingen van het inhoudelijk aanbod.
Paradox
Het onderzoek bracht ook een paradox aan het licht. De federale wetgever legt heel wat verplichtingen op die de kwaliteit van de dienstverlening moeten garanderen. Niettegenstaande die voorschriften, bestaat er geen enkele instantie die de naleving van deze bepalingen controleert. Dat maakt van België het meest gereguleerde land van de EU 15 inzake outplacement, zonder dat de overheid precies weet wie er al dan niet actief is op de markt.
Het HIVA pleit dan ook voor minder, maar meer adequate en daadwerkelijk afgedwongen regelgeving. Outplacementkantoren zouden ook meer vrijheid moeten krijgen om hun eigen aanpak uit te tekenen.
Markante onderzoeksgegevens
De HIVA-IDEA Consult studie leverde nog enkele markante onderzoeksgegevens op:
Het onderzoek naar outplacement werd uitgevoerd door het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) en IDEA Consult, in opdracht van Vlaams minister van Werk Frank Vandenbroucke.
Bron: Persdienst KU Leuven