Jarenlang echter bestond er onduidelijkheid over de vraag of een niet-concurrentievergoeding loon is, en of hierop sociale zekerheidsbijdragen moeten betaald worden. De meeste juristen waren van oordeel dat dit niet het geval is. De niet-concurrentievergoeding wordt immers niet betaald omwille van de arbeidsovereenkomst die voorheen bestond en is dus geen tegenprestatie voor de gepresteerde arbeid.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) was het met deze visie niet eens en voerde de jongste jaren een actieve campagne om niet-concurrentievergoedingen op te sporen en te onderwerpen aan sociale zekerheidsbijdragen (35% werkgeversbijdrage en 13,07% werknemersbijdrage). Hij werd hierbij geïnspireerd door de vaststelling dat werkgevers en kaderleden bij het uitwerken van een optimale financiële ontslagregeling vaak een beroep deden op een financieel interessante niet-concurrentievergoeding waarop de 48% RSZ-bijdragen die betaald moeten worden op een normale opzeggingsvergoeding niet verschuldigd zijn.
In het arrest van 22 september 2003 bevestigt nu ook het Hof van Cassatie het standpunt van de werkgever, en bevestigt het Hof dat een niet-concurrentievergoeding die wordt toegekend na het einde van de arbeidsovereenkomst geen loon is, en dus vrijgesteld is van de 48% sociale bijdragen.
Nochtans kan niet zomaar gebruik gemaakt worden van een concurrentiebeding om aan sociale zekerheidsbijdragen te ontsnappen. Er moet een reële mogelijkheid bestaan dat de ex-werknemer de werkgever concurrentie aandoet. Het concurrentieverbod moet dus beantwoorden aan de realiteit. De betaling van de niet-concurrentievergoeding kan niet gebeuren met de bedoeling de sociale zekerheidsbijdragen op de normale ontslagvergoeding te ontwijken.
(Bron: Jan Lontings, advocaat-vennoot Lontings & Partners)