Een werknemer was in dienst van een vennootschap als sales manager. In de arbeidsovereenkomst was ook een niet-concurrentiebeding opgenomen. Na verloop van tijd richtte de werknemer een eigen makelaarsbedrijf op, waardoor er een discussie ontstond tussen de werkgever en de werknemer over mogelijke concurrentie door deze activiteit in bijberoep.
Hierop beëindigde de vennootschap de arbeidsovereenkomst van de werknemer omwille van een dringende reden, namelijk het feit dat de werknemer een belangenconflict tot stand had gebracht door de oprichting van een concurrerende nevenactiviteit tijdens de arbeidsovereenkomst. De vennootschap deed tegelijk afstand van de toepassing van het niet-concurrentiebeding.
De vennootschap verweet vervolgens de werknemer dat hij na zijn ontslag ingelogd had in het bedrijfsnetwerk om zo duizenden klantenbestanden te exporteren en uit de database een groot aantal klantenbestanden verwijderd had.
Hierop legde de vennootschap een tegensprekelijk verzoekschrift neer bij de Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel en vorderde zij overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek de volgende voorlopige maatregelen op de inleidingszitting:
- het volledige klanten-en prospectenbestand dat de werknemer uit de database had geëxporteerd/gekopieerd, met inbegrip van de klanten- en prospectenbestanden die door de werknemer werden verwijderd, terug te geven aan de vennootschap
- alle vertrouwelijke informatie strikt vertrouwelijk/geheim te houden
- hieraan een dwangsom te koppelen van 2.000 euro per overtreding per dag.
Met een tussenvonnis verklaarde de arbeidsrechtbank deze voorlopige maatregelen gegrond. De werknemer tekende hoger beroep aan.
Het Arbeidshof besloot dat het correct is dat omwille van de vrijheid van ondernemen klantenlijsten niet gemakkelijk als zakengeheim worden aanvaard, maar dat dit niet wegneemt dat onrechtmatig verkregen klantenlijsten van de ex-werkgever, die voldoende complex en moeilijk te construeren zijn, wel degelijk een bedrijfsgeheim uitmaken. De door de eerste rechter bevolen teruggave en het verbod van verdere bekendmaking en verspreiding van deze lijsten werd daarom bevestigd. Het Hof oordeelde ook dat een dergelijke voorlopige maatregel kan gepaard gaan met het opleggen van een dwangsom.
Het Arbeidshof legde de ex-werknemer dan ook een dwangsom op van 2.000 euro per dag vertraging, met een maximum van 60.000 euro, om de klanten-en prospectenbestanden terug te geven aan de getroffen vennootschap.
Het verduidelijkte dat enkel voorlopige maatregelen die voldoende nauwkeurig omschreven zijn, kunnen worden opgelegd onder verbeurte van een dwangsom. Een te algemeen omschreven voorlopige maatregel zal bijgevolg niet kunnen worden opgelegd onder verbeurte van een dwangsom. Het is dus steeds belangrijk om de voorlopige maatregelen precies te omschrijven in het verzoekschrift.
Het arrest verwijst merkwaardig genoeg niet naar de wettelijke definitie van bedrijfsgeheimen die vervat is in artikel I.17/1 van het Wetboek van Economisch Recht. De cumulatieve criteria die een bedrijfsgeheim definiëren, werden dus niet overlopen door het Arbeidshof. Het ging niet in op de grond van de betwisting, namelijk de beoordeling van de dringende reden en dus de vraag of er onder meer oneerlijke concurrentie werd gevoerd tijdens de arbeidsovereenkomst. Dit zou later verder bekeken worden tijdens het debat ten gronde.
Arbeidshof Brussel, 23 juni 2020, AR. 2020/AB/334, onuitg.
