< Terug naar overzicht

Als HR-manager afwerving personeel van voormalige werkgever aanbiedt …

Wat als er een vordering tot schadevergoeding wegens afwerving van personeel ingesteld wordt meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst? Wie is er bevoegd?

Een voormalige werknemer had gebruikgemaakt van vertrouwelijke informatie over de structuur en de werknemers van de onderneming. Hij was daarvan op de hoogte door zijn functie als HR-verantwoordelijke. Die informatie wendde hij aan om na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bepaalde gespecialiseerde werknemers ter afwerving aan te bieden aan rechtstreekse concurrenten van die onderneming.

De onderneming werd ingelicht over deze prakijken meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst door één van de rechtstreekse concurrenten, die deze (ex-)werknemer na het einde van zijn arbeidsovereenkomst had gecontacteerd voor een nieuwe baan. Om zijn competenties op het vlak van aanwerving van personeel te tonen, bood hij de concurrerende onderneming bepaalde werknemers van de onderneming ter afwerving aan. Deze concurrerende onderneming stuurde de e-mails aan de onderneming waaruit bleek dat de (ex-)werknemer uitgebreid de lonen en capaciteiten van de werknemers besprak, alsook hoe de concurrerende onderneming deze werknemers over de streep kon trekken, zodat zij daar zouden gaan werken.

Afwerving van personeel en oneerlijke concurrentie

Gezien de onderneming pas na het einde van de arbeidsovereenkomst van de ex-werknemer kennis had gekregen van deze onrechtmatige prakijken, stelde ze een vordering tot schadevergoeding op basis van artikel 1382 BW in voor de rechtbank van eerste aanleg. Vorderingen op basis van de arbeidsovereenkomst(wet) verjaren immers na 1 jaar.

De onderneming stelde dat de ex-werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst een fout had begaan in de zin van artikel 1382 BW, meer specifiek een schending van artikel 17 van de arbeidsovereenkomstwet, alsook de schending van artikel 6 en 17 van de arbeidsovereenkomst van de (ex-)werknemer betreffende het verbod op afwerving en oneerlijke concurrentie na het einde van de arbeidsovereenkomst.

In haar vonnis van 20 november 2017 herhaalt de rechtbank van eerste aanleg het principe dat zij haar materiële bevoegdheid dient te beoordelen op basis van het voorwerp van de eis en niet op basis van de omschreven rechtsgrond. Volgens de rechtbank heeft het uiteindelijke voorwerp van de eis in essentie betrekking op het al dan niet schenden van bepalingen van de arbeidsovereenkomst(enwet), ook al wordt de vordering gebaseerd op artikel 1382 BW.

Van eerste aanleg naar arbeidsrechtbank

De rechtbank van eerste aanleg stelt verder dat artikel 578,1° van het gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat de arbeidsrechtbank bevoegd is omtrent “geschillen inzake arbeidsovereenkomsten”, niet uitsluit dat de arbeidsrechtbank enkel voor geschillen inzake discussies gedurende de arbeidsovereenkomst bevoegd is.

De bevoegdheid van de arbeidsrechtbank strekt zich aldus ook uit tot geschillen die ontstaan nadat de arbeidsovereenkomst werd verbroken, zoals bij de schending van een concurrentiebeding. De rechtbank van eerste aanleg oordeelde bijgevolg dat de arbeidsrechtbank bevoegd is om over dit geschil te oordelen en verwees deze zaak door naar de arbeidsrechtbank.

Binnen het jaar na einde arbeidsovereenkomst

Dit vonnis bevestigt het principe dat het voorwerp van de eis het criterium is voor het bepalen van de materiële bevoegdheid van de rechtbank en dus niet de rechtsgrond waarop de eis werd ingesteld. De rechtbank van eerste aanleg stelt dat de arbeidsrechtbank bevoegd is voor zowel geschillen die ontstaan gedurende de arbeidsovereenkomst, als voor geschillen die ontstaan zijn na het einde van de arbeidsovereenkomst, los van de rechtsgrond waarop zij gebaseerd zijn.

De vorderingen die worden ingesteld na het einde van de arbeidsovereenkomst, maar op basis van de arbeidsovereenkomst(entwet), moeten wel worden ingesteld binnen het jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst. Of de arbeidsrechtbank de vordering van de onderneming die werd ingesteld 1 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst op basis van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, zou hebben toegekend, is uiteraard een heel andere vraag.

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, 20 november 2017, AR 16/3524/A, onuitgegeven

Auteur: Amelie Desmadryl (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen