< Terug naar overzicht

Concurrentie tijdens arbeidsovereenkomst: wanneer overschrijdt een werknemer de grenzen van de goede trouw en die tussen een louter voorbereidende handeling en effectieve concurrentie?

Krachtens artikel 16 en 17, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet is de werknemer verplicht om zijn arbeidsovereenkomst loyaal uit te voeren. Deze loyaliteitsplicht vergt samenwerking en solidariteit en belet de werknemer de belangen van de werkgever te schaden. Dit brengt met zich mee dat het een werknemer onder meer verboden is om zijn werkgever concurrentie aan te doen tijdens de duur van zijn arbeidsovereenkomst. De vraag rijst echter wel vaker welke handelingen nu precies als concurrerende activiteiten kunnen worden beschouwd. In het vonnis dat hierna wordt besproken, spreekt de arbeidsrechtbank van Gent, afdeling Gent zich dan ook over deze problematiek uit.

Het ging het over een commercieel medewerkster die haar arbeidsovereenkomst had opgezegd met een opzegtermijn. De werkgever, die actief was in de houthandel, ontdekte vervolgens dat de werkneemster nog voor haar ontslagname een concurrerende onderneming had opgericht en dat deze onderneming bovendien houtsoorten had aangeboden aan een van haar klanten.
De werkgever was van mening dat de loutere oprichting door de werkneemster van een concurrerende onderneming tijdens haar arbeidsovereenkomst reeds als een concurrerende activiteit moest worden beschouwd en bijgevolg het ontslag om dringende reden rechtvaardigde. Daarenboven had de werkneemster volgens de werkgever ook effectief concurrerende handelingen gesteld doordat de medezaakvoerder van de werkneemster in naam van de concurrerende onderneming houtsoorten via e-mail had aangeboden aan een klant van de werkgever.
De werkneemster betwistte evenwel dat de deelname aan de oprichting van een eventueel concurrerende onderneming voldoende was om te kunnen spreken van een dringende reden. Zij argumenteerde dat opdat er sprake zou kunnen zijn van een dringende reden, de werkgever diende te bewijzen dat de werkneemster effectief concurrerende handelingen had gesteld in het kader van de potentieel concurrerende vennootschap die zij samen met anderen had opgericht. Van dergelijke concurrerende handelingen was er volgens de werkneemster helemaal geen sprake, aangezien niet de werkneemster zelf, maar wel haar medezaakvoerder de klant van de werkgever via e-mail had benaderd. De werkneemster hield vol dat zij op non-actief stond in de onderneming zolang zij nog werkzaam was bij de werkgever en de handelingen van haar medezaakvoerder niet zomaar aan haar konden worden aangerekend.

De arbeidsrechtbank oordeelde dat het feit dat de werkneemster tijdens haar arbeidsovereenkomst een concurrerende onderneming had opgericht op zich als een voorbereidende handeling kon worden beschouwd en dus niet als een concurrerende activiteit. Dit toonde voor de arbeidsrechtbank wel aan dat de werkneemster reeds op dat moment de intentie had concurrerende activiteiten te gaan uitoefenen, terwijl ze haar arbeidsovereenkomst pas vijf maanden later had opgezegd.
Het feit dat de medezaakvoerder van de werkneemster een klant van de werkgever had benaderd, beschouwde de arbeidsrechtbank als een concurrerende handeling. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de werkneemster zich niet kon verschuilen achter het feit dat niet zijzelf, maar wel haar medezaakvoerder de klant van de werkgever had benaderd. Volgens de arbeidsrechtbank was het immers volstrekt ongeloofwaardig dat de werkneemster van deze concurrerende handelingen geen weet zou hebben gehad.
De arbeidsrechtbank benadrukte dat de arbeidsovereenkomst van de werkneemster een concurrentiebeding bevatte. Zij leidde hieruit af dat de werkneemster wist dat zij (tenzij haar werkgever hiervan afstand zou doen) hoe dan ook pas over een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst een concurrerende activiteit zou kunnen uitoefenen. Niettemin nam zij al deel aan een concurrerende activiteit terwijl haar arbeidsovereenkomst nog liep.
Gelet op de gegeven omstandigheden, was de arbeidsrechtbank van oordeel dat de werkneemster de grenzen van de goede trouw had overschreden en de werkgever bijgevolg terecht was overgegaan tot het ontslag om dringende reden.

In dit vonnis bevestigt de arbeidsrechtbank in eerste instantie dus nogmaals dat het een werknemer verboden is om tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst een concurrerende activiteit uit te oefenen. De arbeidsrechtbank volgt evenwel niet het standpunt van de werkgever dat de oprichting van een concurrerende vennootschap voldoende is om te kunnen spreken van een concurrerende activiteit. Volgens de arbeidsrechtbank mag de werknemer immers wel bepaalde handelingen stellen ter voorbereiding van een concurrerende activiteit die bestemd is om plaats te vinden na zijn arbeidsovereenkomst, zoals het oprichten van een vennootschap, maar ook het nemen van een participatie in een concurrerende vennootschap, het inwinnen van bepaalde inlichtingen of het voeren van bepaalde onderhandelingen.
Het doorslaggevend criterium voor de arbeidsrechtbank is het daadwerkelijk aanvatten van de concurrerende activiteit. Het feit dat de onderneming die de werkneemster mee oprichtte een van de klanten van de werkgever had benaderd, was voldoende om te kunnen spreken van effectieve concurrentie. Of het nu de werkneemster zelf dan wel haar medezaakvoerder was die de klant van de werkgever had benaderd, deed hierbij niet ter zake, althans naar het oordeel van de arbeidsrechtbank van Gent.
Zij wijkt met deze uitspraak aldus af van vroegere rechtspraak die oordeelt dat de loutere oprichting van een concurrerende onderneming een concurrerende activiteit uitmaakt en dus een ontslag om dringende reden rechtvaardigt.

Arbrb. Gent, afdeling Gent 17 oktober 2019, 18/953/A, onuitg.

Sofie Vitse
Medewerker
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen