< Terug naar overzicht

Eindleeftijd uitkering prestaties invaliditeitsdekking moet rechtvaardigingstoets doorstaan

Het Hof van Cassatie vernietigde op 1 april 2019 een arrest van het Arbeidshof van Brussel van 21 februari 2017. In dat arrest werd de vraag gesteld of de stopzetting van de betaling van een aanvullende invaliditeitsuitkering op 60 jaar een directe leeftijdsdiscriminatie vormt. De betrokken werkneemster was al geruime tijd ziek en genoot een aanvullende invaliditeitsuitkering. Op haar 60ste werd deze invaliditeitsuitkering in conformiteit met het reglement stopgezet. De werkneemster achtte dit een directe discriminatie op grond van leeftijd.

Het Arbeidshof oordeelde dat er geen sprake was van discriminatie. Artikel 12, §2 van de Belgische Antidiscriminatiewet voorziet specifiek voor aanvullende regelingen voor sociale zekerheid dat een direct onderscheid op grond van leeftijd met betrekking tot de vaststelling van de toetredingsleeftijd of de leeftijd voor het verkrijgen van rechten op invaliditeitsuitkering geen discriminatie vormt voor zover dit niet leidt tot geslachtsdiscriminatie.
Het Arbeidshof oordeelde dat een leeftijd waarop de uitkering van de prestaties ophoudt in een invaliditeitsplan inderdaad onder deze specifieke rechtvaardigingsgrond valt en bijgevolg per definitie legitiem is.

Het Hof van Cassatie volgde deze analyse niet. Het Hof baseert zich hier in eerste instantie op de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 6.2 van de Antidiscriminatie-richtlijn waarvan artikel 12§2 van de Antidiscriminatiewet de Belgische omzetting is. Het Hof van Cassatie stelt dat deze uitzondering strikt moet worden geïnterpreteerd en enkel kan worden gehanteerd voor het bepalen van een minimum- en een maximumleeftijd voor de toetreding en de opening van het recht op invaliditeitsuitkeringen, maar dus niet voor een leeftijd waarop de betaling van prestaties ophoudt.

Dit betekent niet dat het Hof van Cassatie oordeelt dat een eindleeftijd in een invaliditeitsplan per definitie discriminatoir is. Het onderscheid kan eventueel nog worden gerechtvaardigd op grond van de algemene rechtvaardigingstoets voor een direct onderscheid op basis van leeftijd in aanvullende regelingen voor sociale zekerheid. De bewijslast is evenwel moeilijker. De verweerder zal moeten kunnen aantonen dat de eindleeftijd objectief en redelijk is gerechtvaardigd door een legitieme doelstelling en dat de middelen om deze doelstelling te bereiken passend en noodzakelijk zijn.

Een eindleeftijd van 60 jaar staat al enige tijd ter discussie in de sector. Tot voor kort kon een eindleeftijd van 60 gelegitimeerd worden op grond van het feit dat elke werknemer zijn aanvullend (en vaak ook nog het wettelijk) pensioen kon opnemen op 60 jaar. Anno 2020 zijn het echter nog enkel witte raven die op deze leeftijd hun wettelijk (en ook aanvullend) pensioen kunnen opnemen. Recente invaliditeitsverzekeringen houden doorgaans in dat de uitbetaling van de prestaties ophoudt wanneer de werknemer met vervroegd pensioen gaat of de wettelijke pensioenleeftijd (nu 65 jaar) bereikt. Dit laatste is o.i. legitiem aangezien de werknemer op dat moment over een ander vervangingsinkomen beschikt en ook de wettelijke invaliditeitsuitkering (waarop de dekking gewaarborgd inkomen een aanvulling beoogt) dan ophoudt.

Hof van Cassatie, 1 april 2019, S.17.0043/N

Dorien Verstraeten
Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen