< Terug naar overzicht

Getuigenverklaring van werknemer: doorstaat dit de toets van objectiviteit?

In bepaalde gevallen, zoals bij een ontslag om dringende reden of indien de werknemer het bestaan van een vermoeden van discriminatie aantoont, draagt de werkgever de bewijslast. Dit bewijs kan met alle middelen van recht worden geleverd, ook met getuigenverklaringen. Maar hoe objectief zijn de verklaringen van werknemers wanneer deze worden voorgelegd door de werkgever?

In enkele recente vonnissen zijn daarover interessante beschouwingen terug te vinden. Zo oordeelde de arbeidsrechtbank van Gent in haar vonnis van 20 mei 2019 dat, hoewel de verklaring van een werknemer van de werkgever in kwestie met de nodige omzichtigheid moet worden benaderd, de objectiviteit van deze persoon niet in twijfel kan worden getrokken louter op basis van zijn tewerkstelling bij de werkgever en de bijhorende band van ondergeschiktheid.

Daarbij stelde zij dat er geen enkele wettelijke bepaling is die een verbod oplegt aan een personeelslid om te getuigen in een zaak van zijn werkgever. Dit verbieden zou neerkomen op een verbod van het bewijs met getuigen. Bovendien zijn de werknemers vaak het best op de hoogte van het reilen en zeilen op de werkvloer.
Daarnaast oordeelde rechtbank dat er slechts sprake kan zijn van eventuele partijdigheid indien het moreel belang dat een getuige kan hebben bij de uitkomst van een proces krachtig genoeg is.

Hoewel de rechter in deze zaak geenszins twijfelde aan de geloofwaardigheid van de werknemer, werd er met de verklaring slechts gedeeltelijk rekening gehouden. De rechter meende immers dat bij een van de uitspraken het aan de nodige nuance en omkadering ontbrak.

De Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel nam reeds eerder dit standpunt in. Zo stelde zij in haar vonnis van 18 december 2018 dat het loutere feit dat de getuigen werknemer en directielid zijn, er niet toe leidt dat de rechtbank geen rekening mag houden met hun verklaringen, maar dat dit wel een element kan zijn dat de rechtbank tot voorzichtigheid aanmaant.

Uiteraard mag dit geen afbreuk doen aan de beoordeling van de feitenrechter over de bewijswaarde van een getuigenis. De feitenrechter is nog steeds vrij om de geloofwaardigheid van een getuige, werknemer of niet, te beoordelen en er zijn oordeel op te steunen.

In dit geval stelde de rechtbank vast dat elke getuige in zijn verklaring eigen accenten heeft gelegd en getuigt over eigen ervaringen, waaruit nergens afgeleid kan worden dat de werkgever de pen zelf heeft vastgehouden of de werknemers onder druk heeft gezet om bepaalde voor haar voordelige getuigenissen op papier te zetten. Daarnaast constateerde zij dat de verschillende getuigenverklaringen met elkaar overeenstemden, elkaar aanvulden en versterkten.

Algemeen kan dus aangenomen worden dat de rechtspraak getuigenverklaringen van werknemers als voldoende geloofwaardig beschouwt, uiteraard mits het doorstaan van een iets zwaardere toets. Indien er geen sprake is van enige vorm van partijdigheid, de verklaringen voldoende duidelijk en nauwkeurig geformuleerd zijn en overeenstemmen met eventuele andere verklaringen, zal er geenszins twijfel bestaan omtrent de objectiviteit.

Nederlandstalige arbrb. Brussel 18 december 2018, 18/106/A, onuitg. en arbrb. Gent, afd. Gent, 20 mei 2019, 18/543/A, onuitg.
Camille Verplaetse, Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen