< Terug naar overzicht

Geweld of morele dwang bij ondertekening dading: David en Goliath op de werkvloer?

Bij een ontslag om dringende reden, gebeurt het wel eens dat er uiteindelijk wordt afgezien van het effectieve ontslag en de arbeidsovereenkomst in plaats daarvan beëindigd wordt, via het afsluiten van een dading of een beëindigingsovereenkomst. Achteraf kan het gebeuren dat de werknemer op zijn stappen terugkomt en voorhoudt dat de dading onder geweld of morele dwang werd gesloten, met de bedoeling de nietigheid van de overeenkomst te verkrijgen bij de arbeidsgerechten. Wat dan?

In een recent vonnis, kwam deze problematiek andermaal aan bod. Een werkneemster beweerde dat zij de dadingsovereenkomst onder dwang ondertekende. Indien zij niet tekende, zou zij ontslagen worden om dringende reden, wegens diefstal van brandstof, waaraan zij zich schuldig zou hebben gemaakt.

De arbeidsrechtbank herhaalde eerst en vooral de principes. Vooreerst is er geen wilsovereenstemming tussen partijen indien de wil is aangetast door geweld of morele dwang. Een vrije wilsuiting is immers vereist. Opdat er sprake zou zijn van geweld of morele dwang (die de wilsuiting en zodoende de geldigheid van de overeenkomst aantast), is het vereist dat het geweld van die aard is dat het op een redelijk mens indruk maakt en deze doet vrezen voor een aanzienlijk kwaad. Hierbij moet rekening worden gehouden met de leeftijd, het geslacht en de stand van de werknemer. Het enkele feit dat de werknemer in een economisch zwakkere positie staat dan de werkgever, maakt aldus geen geweld of morele dwang uit.

Vervolgens herinnerde de rechtbank eraan dat het Hof van Cassatie reeds in 1977 stelde dat het loutere gegeven dat een werknemer zijn ontslag indient omdat zijn werkgever dreigt met een ontslag wegens dringende reden, geen geweld of morele dwang vormt. Al evenzeer kan het feit dat de werknemer voor de keuze geplaatst wordt tussen het sluiten van een dading of een ontslag wegens dringende reden, niet ipso facto aanzien worden als geweld of morele dwang. Het loutere gegeven dat een werknemer zijn ontslag indient, nadat er gedreigd werd met een ontslag wegens dringende reden, die evenwel geen dringende reden is, volstaat ten slotte evenmin, zo sloot de rechtbank af.

Voorts beklemtoonde de rechtbank dat de werknemer die op zich op geweld beroept, dit ook moet kunnen aantonen.
In dit geval was er volgens de rechtbank geen sprake van geweld. De werkneemster legde immers geen enkel document, verklaring of ander bewijs voor, waaruit zou blijken dat zij het slachtoffer was van geweld of morele dwang.
Al evenmin kon uit de vermelding in de overeenkomst dat er op dezelfde dag van de ondertekening van de overeenkomst een aangetekende ontslagbrief verstuurd zou zijn geweld of morele dwang afgeleid worden, ook al is dit mogelijk niet zo coherent.

Ten slotte haalde de rechtbank ook aan dat de handtekening van de werkneemster voorafgegaan werd door de woorden ‘gelezen en goedgekeurd’. Deze vermelding is niet vereist en bewijst de formalisering van een akkoord.
Dit vonnis toont nogmaals aan dat het niet volstaat om zonder meer geweld of morele dwang in te roepen om de rechtsgeldigheid van een overeenkomst op de helling te zetten, maar dat men dit ook moet kunnen hard maken. Voorts zet dit vonnis nog eens het belang van een goede dading of beëindigingsovereenkomst in de verf.

Arbrb. Luik, afdeling Luik, 23 maart 2020, onuitg. AR 18/1846/A

Barbara Callewier
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen