< Terug naar overzicht

Het belang van evenredige sancties bij detachering

In haar arrest van 8 maart 2022 benadrukte het Hof van Justitie dat de sancties opgelegd bij het niet respecteren van administratieve verplichtingen bij detachering evenredig moeten zijn. Indien de nationale sancties deels in strijd zijn met dit Europees principe, kan de nationale rechter ze toch toepassen zolang ze evenredig blijven.

Lara De Wilder, Advocaat, Claeys & Engels  

Context

Het Hof van Justitie heeft op 8 maart 2022 uitspraak gedaan in een Oostenrijkse zaak waar sancties werden opgelegd aan de vertegenwoordiger van een Slowaakse onderneming die werknemers ter beschikking had gesteld van een Oostenrijkse klant. De vertegenwoordiger kreeg door de Oostenrijkse autoriteit een geldboete van 54.000 EUR opgelegd wegens het niet-naleven van bepaalde administratieve verplichtingen inzake detachering. Tegen deze beslissing werd beroep ingesteld bij de Oostenrijkse rechter, die zich op zijn beurt (voor de tweede maal) tot het Hof van Justitie wendde.

Vergeet de administratieve verplichtingen niet!

Het discussiepunt in deze zaak betrof de grootte van de geldboete die werd opgelegd wegens het niet respecteren van administratieve verplichtingen in verband met de verklaring van terbeschikkingstelling en het bewaren van de loonadministratie.

Deze verplichtingen zijn op Europees niveau opgenomen in de richtlijn 2014/67/EU (hierna: “handhavingsrichtlijn”). Deze richtlijn bepaalt bijvoorbeeld dat de lidstaten voor de start van een detachering op hun grondgebied kunnen eisen dat de dienstverrichter een verklaring doet aan de nationale autoriteit, of dat tijdens de detachering kopieën van de arbeidsovereenkomst of loonfiches moeten worden bewaard voor controledoeleinden. In België denkt men hiervoor aan de Limosa-verklaring of de verplichting voor werkgevers om op verzoek van de inspectiediensten een kopie van de arbeidsovereenkomst of andere gelijkaardige documenten te verstrekken.

Probleem van de Oostenrijkse sancties

De handhavingsrichtlijn legt niet alleen de krachtlijnen van de administratieve verplichtingen vast maar geeft de lidstaten ook de mogelijkheid om eventuele inbreuken te sanctioneren. In België worden al deze sancties bepaald door het Sociaal Strafwetboek. Artikel 20 van de Europese handhavingsrichtlijn bepaalt dat deze sancties “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moeten zijn.

Net deze vereiste van evenredigheid was in deze zaak het probleem. Het Hof van Justitie had in 2019 al geoordeeld dat de sancties vastgelegd in de Oostenrijkse wetgeving veel te ver gingen. De combinatie van factoren zoals een vooraf bepaald minimumbedrag van de boete, het cumulatief opleggen van boetes zonder maximumbedrag en een verplichte bijdrage in de proceskosten bij verwerping van het tegen de boete ingesteld beroep, was volgens het Hof compleet onevenredig.

Na deze beslissing in 2019 deed Oostenrijk echter niets om haar sanctieregeling aan te passen. Daarnaast werd er in een andere beslissing van het Hof geoordeeld dat artikelen vergelijkbaar met dat van artikel 20 van de handhavingsrichtlijn geen rechtstreekse werking hebben. De Oostenrijkse rechter vroeg zich daarom af of deze hoge geldboete überhaupt wel kon worden opgelegd aan de Slowaakse onderneming en wendde zich opnieuw tot het Hof.

Verplichting om evenredige sancties op te leggen

Het Hof van Justitie besloot dat artikel 20 van de handhavingsrichtlijn wél rechtstreekse werking heeft, in die zin dat de vastgestelde sancties evenredig moeten zijn. Elke burger kan dit bijgevolg voor de nationale rechter inroepen tegen een lidstaat in geval van niet correcte omzetting in nationaal recht.

Het geval van de Oostenrijkse sanctieregeling lag echter wat anders. Volgens het Hof waren de kenmerken van de Oostenrijkse sancties als een geheel onevenredig maar niet afzonderlijk, waardoor ze eigenlijk maar deels in strijd waren met de handhavingsrichtlijn. Dergelijke nationale regelingen moeten slechts buiten toepassing worden gelaten voor zover dit nodig is om evenredige sancties te garanderen. Het Hof besloot dat de Oostenrijkse rechter in kwestie dus enkel dat gedeelte van de Oostenrijkse wetgeving buiten toepassing moest laten dat deze onevenredigheid veroorzaakte.

In geval van detachering zal het dus steeds nodig zijn om na te gaan of de opgelegde sancties evenredig zijn. Indien ze dit niet volledig zijn, bijvoorbeeld door de combinatie van de verschillende kenmerken zoals bij de Oostenrijkse sanctieregeling, zal de nationale rechter zelf moeten beslissen welk deel van de sancties er buiten toepassing wordt gelaten opdat er alsnog een evenredige sanctie kan worden opgelegd.

HvJ 8 maart 2022, nr. C-205/20.

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen