< Terug naar overzicht

Internationaal Werk. Dienstervaring in andere lidstaat: gelijkwaardige ervaring moet volledig in acht worden genomen

Een Duits onderdaan had vijf jaar gewerkt aan een Duitse universiteit als gastdocent, waarna zij eveneens als gastdocent aan de slag ging bij een Oostenrijkse universiteit. Ze behaalde haar doctoraat en werd hierna bij dezelfde Oostenrijkse universiteit senior docent/postdoc.

In 2013 werd voor deze functie een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gesloten. Echter, bij de Oostenrijkse universiteit gold een regel dat er voor haar looninschaling slechts rekening werd gehouden met vier jaar relevante voorafgaande diensttijd. Hiervoor werd er enkel rekening gehouden met de diensttijd die werd verworven bij de Oostenrijkse universiteit en dus niet bij een andere (al dan niet buitenlandse) werkgever. De Duitse onderdaan was het hiermee niet mee eens omdat zij van mening was dat haar volledige voorafgaande diensttijd (dus zowel deze aan de Duitse als aan de Oostenrijkse universiteit) in aanmerking moest worden genomen. In het kader van de daaropvolgende juridische procedure werden er prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

Geen discriminatie op grond van nationaliteit

Artikel 45, lid 2 VWEU verbiedt elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. De regeling van de Oostenrijkse universiteit met betrekking tot de toepasselijke salarisschaal, waarbij er slechts rekening wordt gehouden met een gedeeltelijke relevante voorafgaande diensttijd, komt uiteraard in het vaarwater van de arbeidsvoorwaarden.
In dat opzicht is het vaste rechtspraak van het Hof dat niet enkel openlijke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is, maar eveneens alle ‘verkapte’ vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Het Hof verduidelijkte dan ook dat een bepaling van nationaal recht, ook al geldt zij ongeacht de nationaliteit, als indirect discriminerend moet worden beschouwd wanneer zij werknemers uit andere lidstaten meer zou treffen dan de nationale (in casu Oostenrijkse) werknemers, tenzij een dergelijke beperking objectief gerechtvaardigd is en evenredig is aan het nagestreefde doel.
Gezien het besluit van de Oostenrijkse universiteit van toepassing is op alle door de universiteit aangestelde werknemers, ongeacht hun nationaliteit, stelt het Hof dat er hier geen sprake kan zijn van directe discriminatie op grond van nationaliteit. De regeling creëert een verschil in behandeling al naargelang van de werkgever bij wie de beroepservaring is verworven. Een dergelijk verschil in behandeling kan volgens het Hof enkel als indirect discriminerend beschouwd worden wanneer het verschil werknemers uit andere lidstaten meer treft dan de nationale/Oostenrijkse werknemers. Het Hof besloot vervolgens dat er nergens wordt aangetoond dat de Oostenrijkse werknemers bevoordeeld zouden worden ten opzichte van werknemers uit andere lidstaten en er bijgevolg evenmin sprake is van indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.

Belemmering vrij verkeer van werknemers?

De vraag was dan nog of een dergelijke regeling van de Oostenrijkse universiteit een verboden belemmering van het vrij verkeer van werknemers vormt (art. 45, lid 1 VWEU). Het Hof stelde dat hiertoe een onderscheid moest worden gemaakt tussen gelijkwaardige beroepservaring en iedere andere soort beroepservaring die enkel nuttig blijkt te zijn voor de uitoefening van de functie als senior docent/postdoc.
Immers, indien het gelijkwaardige beroepservaring zou zijn, zouden de werknemers uit andere lidstaten die in hun lidstaat van herkomst gedurende meer dan vier jaar hebben gewerkt als senior docent/postdoc ontmoedigd worden om voor die baan aan de Oostenrijkse universiteit te solliciteren en bijgevolg hun recht op vrij verkeer uit te oefenen. Het Unierecht verzet zich daarentegen niet tegen het slechts gedeeltelijk in aanmerking nemen van ervaring die niet gelijkwaardig was.
Ook hier bevestigde het Hof dat de uitoefening van het vrij verkeer van werknemers kan worden beperkt door nationale maatregelen op voorwaarde dat deze beperkingen legitieme doelstellingen nastreven, geschikt zijn om de verwezenlijking van het beoogde doel te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het doel te bereiken.
Het is een legitiem doel van loonbeleid om criteria zoals beroepservaring te belonen. Echter, aangezien de Oostenrijkse universiteit door slechts vier jaar gelijkwaardige voorgaande diensttijd in acht te nemen, het ter discussie stelt dat de in de loop van de tijd opgedane ervaring hand in hand gaat met de verbetering van de kwaliteit van de te verrichten werkzaamheden, is het Hof van mening dat de maatregel hier niet geschikt is voor de verwezenlijking van het beoogde doel.

Draagwijdte van het arrest

Dit arrest benadrukt wederom dat ondanks het legitieme doel dat door de nationale maatregel wordt beoogd, een dergelijke maatregel nog steeds geschikt moet zijn om het beoogde doel te bereiken opdat het een gerechtvaardigde belemmering van de fundamentele vrijheden (het vrij verkeer van werknemers) kan uitmaken. Dit arrest kan dan ook een impact hebben op de dienstervaring van een werknemer die in acht dient te worden genomen wanneer de werknemer gebruik maakt van zijn/haar recht op vrij verkeer.

HvJ 10 oktober 2019, nr. C-703/17, Krah
Inne Nys, advocaat Claeys & Engels

 

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen