< Terug naar overzicht

Internationaal Werk. Arbeidsmigratie: moet er een retributie worden betaald?

Eind 2014 werd in de Vreemdelingenwet een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende ‘Retributie tot dekking van de administratieve kosten’. Sindsdien moeten de meeste niet-EER/Zwitserse onderdanen in het kader van hun aanvraag tot verblijf op het Belgisch grondgebied een administratieve bijdrage betalen. Zo was de retributie onder meer verschuldigd in het kader van een eerste verblijfsaanvraag op basis van een arbeidskaart (oude regeling) en is deze nu verschuldigd in het kader van een eerste ‘Single Permit’-aanvraag door een niet-EER/niet-Zwitserse werknemer.

De bevoegdheid om het bedrag en de inningswijze van deze retributie vast te leggen, werd toevertrouwd aan de regering. In zijn advies heeft de Raad van State destijds bezorgdheid geuit over de retributie en benadrukt dat het bedrag in elk geval niet onevenredig mocht zijn.
De regeling werd uiteindelijk geformaliseerd in het koninklijk besluit van 16 februari 2015. In functie van het doel van de aanvraag werd het bedrag van de retributie begroot op 215 euro, 160 euro en 60 euro (hetzij 358 euro, 204 euro en 62 euro in 2019).
Welnu, de Raad van State heeft zich in het kader van een vernietigingsberoep recent moeten buigen over de geldigheid van dit koninklijk besluit.

De analyse van de Raad van State

In zijn arrest van 11 september 2019 besliste de Raad van State het koninklijk besluit van 16 februari 2015 te vernietigen. Hij kwam immers tot de vaststelling dat de redelijke verhouding tussen het bedrag van de retributie en de kostprijs van de geleverde dienst niet afdoende werd aangetoond.
Sterk vereenvoudigd voorgesteld, komt het erop neer dat de retributie door de Belgische staat werd vastgesteld op basis van een gemiddelde kostprijs (administratieve kost per aanvraag). Deze methode werd door de Raad van State op de korrel genomen. Volgens hem:

  • werden er onvoldoende reële gegevens gebruikt bij de berekening van de gemiddelde kostprijs;
  • hadden de statistische gegevens louter betrekking op aanvragen onderworpen aan een bijdrage tijdens één welbepaald jaar en waren ze dus onvoldoende representatief;
  • stemde het statistische cijfermateriaal niet overeen met de cijfers die werden gecommuniceerd met de Inspectie van Financiën.

Draagwijdte van het arrest

Het koninklijk besluit van 16 februari 2015 werd ondertussen reeds vervangen door andere koninklijke besluiten. In de praktijk betekent dit dat de vernietiging slechts geldt met betrekking tot de retributies die werden betaald in de periode tussen 1 maart 2015 en 26 juni 2016.
Dit arrest zou echter wel eens ruimere gevolgen kunnen hebben. Er werd namelijk ook een vernietigingsberoep ingesteld tegen het huidig wettelijk kader, meer bepaald het koninklijk besluit van 14 februari 2017.
Wordt vervolgd.

RvS 11 september 2019, n° 245.404.
Simon Albers
Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen