< Terug naar overzicht

Internationaal Werk. Bindende kracht van de A1-verklaring en fraude

Op 2 april 2020 boog het Europees Hof van Justitie zich opnieuw over de bindende kracht van de E101-verklaring (de voorloper van de huidige A1-verklaring). De Spaanse luchtvaartmaatschappij Vueling had haar cockpit- en cabinepersoneel niet aangesloten bij de Franse sociale zekerheid. In het kader van hun detachering naar de operationele basis in Parijs waren zij immers allen in het bezit van een E101-verklaring afgeleverd door de Spaanse sociale zekerheidsautoriteiten. Tijdens een controle stelde de lokale sociale inspectie een proces-verbaal wegens zwartwerk op. Ondanks de E101-verklaringen werd Vueling Airlines voor deze feiten strafrechtelijk veroordeeld.

In het kader van twee daaruit voortvloeiende burgerlijke procedures werden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

Het Hof bouwde verder op zijn bestaande rechtspraak met betrekking tot de bestrijding van frauduleuze A1-verklaringen. Tijd voor een kort overzicht van het ‘acquis communautaire’.

Het Europees Hof van Justitie heeft steeds geoordeeld dat een A1-verklaring die is afgegeven door het bevoegde orgaan van de zendstaat de organen van de lidstaat van ontvangst bindt zolang deze verklaring niet is ingetrokken of ongeldig werd verklaard.
Het bindend karakter van de verklaring geldt zowel ten opzichte van de bevoegde organen van de sociale zekerheid als voor de rechterlijke macht. Dit leidt ertoe dat:

  • het bevoegd orgaan de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen
  • een rechterlijke instantie niet bevoegd is om de geldigheid van een A1-verklaring af te toetsen.
  • Als er onenigheid bestaat, moeten de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst zich richten tot de autoriteiten van de zendstaat conform de daartoe voorziene procedure. Indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, moet men zich richten tot de Administratieve Commissie.

Een ongebreidelde toepassing van deze bindende kracht kan echter leiden tot scheefgetrokken situaties. Fraudeurs zouden zich immers kunnen schuilhouden achter de bindende kracht van deze verklaringen om er straffeloos financieel voordeel uit te halen.

Het arrest Altun

Op 6 februari 2018 velde het Hof van Justitie het baanbrekend Altun-arrest (zie vorig HR Square-artikel). Het oordeelde voor het eerst dat een nationale rechter een A1-verklaring buiten beschouwing kan laten. Hiervoor moeten evenwel de volgende voorwaarden vervuld zijn:

  • de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst zijn in dialoog getreden met de autoriteiten van de zendstaat via een verzoek tot heroverweging
  • het verzoek steunt op gegevens die werden verkregen in het kader van een gerechtelijk onderzoek en die wijzen op fraude
  • de autoriteiten van de zendstaat laten na om dit verzoek adequaat te behandelen binnen een redelijke termijn
  • de nationale rechter stelt fraude vast op basis van de gegevens van het dossier en waarborgt het recht op een eerlijk proces.

Het arrest Europese Commissie tegen België

Op 11 juli 2018 velde het Hof van Justitie het arrest Europese Commissie tegen België arrest (zie vorig HR Square-artikel). In dit arrest werd de Belgische wetgever door het Hof in het ongelijk gesteld.
De Belgische wetgever had in de vorm van de zogenaamde Antimisbruikwet een mechanisme aangenomen om fraude op een efficiëntere manier te bestrijden door de Belgische rechtbanken, de RSZ en de sociale inspectie de mogelijkheid te geven om, zonder enige vorm van dialoog met de autoriteiten van de zendstaat, een A1-verklaring naast zich neer te leggen indien er volgens hen sprake was van misbruik. Een brug te ver volgens het Hof.

Het arrest CRPNPAC en Vueling Airlines

In de zaken CRPNPAC en Vueling Airlines werd het Hof gevraagd of de rechtspraak over de bindende werking van de A1-verklaring ook geldt wanneer de rechter van de lidstaat van ontvangst zelf tot de vaststelling komt dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen.

In tegenstelling tot advocaat-generaal Saugmandsgaard oordeelde het Hof dat de rechter van de ontvangststaat slechts kan optreden tegen frauduleuze A1-verklaringen indien:

  • voorafgaandelijk en onverwijld de geijkte procedure werd opgestart en de stukken die wijzen op fraude in dit kader werden overgemaakt teneinde de dialoog tussen de bevoegde organen te bewerkstelligen
  • het bevoegde orgaan nalaat om binnen een redelijke termijn het verzoek te behandelen of een beslissing te nemen.

De boodschap is (voorlopig) duidelijk: slechts binnen de in de arresten Altun en Vueling Airlines uiteengezette grenzen kan een A1-verklaring door een rechtbank eenzijdig buiten beschouwing gelaten worden.

HvJ 2 april 2020, nr. C-370/17 en C-37/18, ECLI:EU:C:2020:260, CRPNPAC en Vueling Airlines

Simon Albers
Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen