Advertisement
< Terug naar overzicht

Internationaal Werk. Hof van Justitie laat licht schijnen op sociaalzekerheidsrechtelijk begrip ‘werkgever’

Op 16 juli 2020 deed het Europese Hof van Justitie een belangrijke uitspraak over het begrip ‘werkgever’ in het kader van de Europese regels voor de coördinatie van socialezekerheidsstelsels.

In voorliggend geval had de Cypriotische vennootschap AFMB met een aantal in Nederland gevestigde vervoersondernemingen een aantal fleet managementovereenkomsten gesloten. Daarnaast had AFMB ook verschillende arbeidsovereenkomsten gesloten met internationale vrachtwagenchauffeurs die in Nederland woonden. Deze chauffeurs voerden hun werkzaamheden uit in twee of meer lidstaten voor rekening van de hierboven vermelde Nederlandse vervoersondernemingen zonder dat zij een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichtten in Nederland, de lidstaat waar zij woonden.

De Europese coördinatieregels bepalen dat de werknemers, bij gebrek aan substantiële activiteiten in de woonstaat, onderworpen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de werkgever zich bevindt.

Onduidelijkheid troef: formele werkgever versus materiële werkgever

Het begrip ‘werkgever’ is echter voor meerdere interpretaties vatbaar. Een ware sociaalzekerheidsrechtelijke tweestrijd brak los.

- AFMB en de chauffeurs waren van mening dat de Cypriotische vennootschap als formele werkgever moest worden beschouwd gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst werd afgesloten met de Cypriotische vennootschap.
- De Sociale Verzekeringsbank was echter van mening dat de in Nederland gevestigde vervoersondernemingen moesten worden beschouwd als materiële werkgever gelet op het feit dat de werknemers in de praktijk onder het gezag stonden van de Nederlandse vervoersondernemingen.

De werknemers werden door de Nederlandse sociale zekerheidsinstanties onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheid. Na uitputting van de beschikbare rechtsmiddelen stelde de Nederlandse rechterlijke instantie in hoger beroep een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

Het arrest AFMB

In het arrest AFMB oordeelde het Hof van Justitie uiteindelijk dat het begrip werkgever verwijst naar de materiële werkgever die het feitelijk gezag over de werknemers uitoefent, feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en feitelijk bevoegd is om de werknemers te selecteren en te ontslaan.

Deze feitelijke criteria wegen met andere woorden op tegen het contractueel aspect. Een interpretatie waarbij rekening zou worden gehouden met de formele werkgever zou het immers mogelijk maken om op basis van kunstmatige constructies bepaalde (financieel minder gunstige) stelsels te omzeilen.

HvJ 16 juli 2020, nr. C-610/18, ECLI:EU:C:2020:565, AFMB e.a.

Simon Albers
Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen