< Terug naar overzicht

Ook werknemer mag niet talmen bij inroepen dringende reden

Een werknemer meende verbaal en fysiek te zijn aangevallen door zijn werkgever. De feiten zouden zich hebben voorgedaan op een vrijdag in de late namiddag. Zij werden door de werknemer ingeroepen als een ernstige tekortkoming in hoofde van de werkgever… de volgende donderdag, bijna een week later. Laattijdig? De werknemer geloofde van niet en had hiervoor een interessante verklaring. De arbeidsrechtbank moest oordelen.

Een ontslag om dringende reden dat aan het oordeel van de arbeidsrechtbank wordt overgelaten, is schering en inslag. Uitzonderlijk echter is het wanneer een werknemer het ontslag om dringende reden in hoofde van de werkgever inroept. De vraag rijst dan onder meer of de naleving van de tijdigheidsvoorwaarde even streng wordt beoordeeld. Binnen de drie werkdagen nadat de werknemer ‘voldoende zekerheid’ had over de feiten, moest hij immers het ontslag wegens dringende reden doorvoeren.

In dit dossier deden de feiten van beweerde geweldpleging zich voor op een vrijdag. Een ontslag om dringende reden volgde pas de donderdag nadien. De werknemer trachtte deze late beslissing nog te verantwoorden door enerzijds te stellen dat het ontslag om dringende reden ‘retroactief’ was gegeven en door vervolgens uit te leggen dat hij er zich pas de volgende maandag terdege van bewust was wat hem was overkomen.

Concreet stelde de werknemer dat hij het ganse weekend nodig had om de gebeurtenissen van de vrijdag te plaatsen. Hij had zich er vervolgens toe aangezet de volgende maandag het werk terug op te nemen, in de overtuiging dat de werkgever schuldbesef zou tonen en zijn excuses zou aanbieden. Deze excuses volgden echter niet, wel integendeel, volgens de werknemer was zijn werkgever op maandag opnieuw verbaal agressief. De werknemer zou vervolgens die maandagavond volledig zijn ingestort. Op dat moment heeft hij zijn arts geraadpleegd die fysieke letsels heeft vastgesteld, naar eigen zeggen van de vorige vrijdag… De dag erna legde de werknemer een klacht neer bij de politie en een maand later deed hij aangifte van de feiten bij de arbeidsongevallenverzekering van de werkgever.

De werknemer hield dus vol dat de ernst van de feiten pas op de bewuste maandag tot hem was doorgedrongen en beschouwde dit moment als het startpunt voor de zogenaamde drie-dagen-termijn. Hij trachtte dit argument kracht bij te zetten door een document voor te leggen waaruit bleek dat hij therapie had gevolgd voor een ‘posttraumatisch stresssyndroom’. Het zou eigen zijn aan deze aandoening dat het besef niet onmiddellijk na het trauma optreedt. In dit kader verwees de werknemer ook naar de rechtspraak op grond waarvan eerst een onderzoek kan worden ingesteld vooraleer tot ontslag om dringende reden over te gaan. In zijn geval ging het dus in feite om een medisch onderzoek…

De arbeidsrechtbank kon dit argument ‘absoluut niet bijtreden’. Vooreerst merkte zij op dat er niet het minste bewijs voorlag van het verbaal agressief gedrag van de werkgever op de bewuste maandag. Noch in de politieklacht, noch in enig medisch attest of de aangifte van het arbeidsongeval, werd gesproken over feiten die zich op maandag zouden hebben voorgedaan. In deze documenten werden enkel de ingeroepen gewelddaden van de vrijdag voordien aangehaald. Verder kon de arbeidsrechtbank evenmin rekening houden met het argument van het posttraumatisch stresssyndroom: niet alleen omdat het argument m.b.t. deze aandoening pas voor het eerst werd opgeworpen na de opstart van de gerechtelijke procedure en het dus geenszins met zekerheid kon vastgesteld worden dat dit syndroom te wijten was aan de feiten die aan de basis lagen van het ontslag om dringende reden. Maar ook omdat - als deze feiten echt zo erg waren als de werknemer beweerde - hij de ernst ervan onmiddellijk moest hebben ingezien en er zich geen verder onderzoek opdrong. Kritisch stelde de arbeidsrechtbank nog de vraag: “Verder onderzoek van wat?”

De arbeidsrechtbank kwam bijgevolg tot het besluit dat het ontslag om dringende reden laattijdig was gegeven, gezien de drie-dagen-termijn wel degelijk was ingegaan op de bewuste vrijdag. Tot een beoordeling van de feiten ten gronde is het in dit dossier dus niet meer gekomen. Voor zover als nodig benadrukte de arbeidsrechtbank nog dat het manoeuvre om het ontslag om dringende reden ‘retroactief’ te geven vanzelfsprekend geen soelaas bood: een ontslag om dringende reden kan in geen geval met terugwerkende kracht ingeroepen worden.

Het is duidelijk: de spelregels voor een ontslag om dringende reden worden net zo streng toegepast voor de werknemer die het ontslag inroept, als voor de werkgever die hiertoe overgaat.

Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Oudenaarde, 11 oktober 2018, AR 17/299/A

Mieke Deconinck
Advocaat – senior associate
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen