< Terug naar overzicht

Rechtsgeldigheid van aanwezigheidsvoorwaarde bij toekenning van een bonus

De werkgever kan zijn personeel belonen door middel van het toekennen van een variabel loon bovenop het contractueel vastgestelde loon. De toekenning van een bonus kan afhangen van een aantal criteria en voorwaarden. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de werknemer nog in dienst moet zijn op het einde van het financiële jaar. De arbeidsrechtbank van Brussel sprak zich uit over de rechtsgeldigheid van een dergelijke aanwezigheidsvoorwaarde.

Op 10 maart 2017 werd een werknemer met onmiddellijke ingang ontslagen met de betaling van een opzeggingsvergoeding. De werknemer meende aanspraak te kunnen maken op een pro rata bonus en vroeg aan de werkgever hem het bedrag mee te delen.

Volgens een gebruik in de onderneming moeten de werknemers echter in dienst zijn op het einde van het financiële jaar (dat liep van 1 april tot 31 maart van het daaropvolgende jaar) om aanspraak te kunnen maken op een bonus. Gelet op de datum van het ontslag voldeed de werknemer volgens de werkgever niet aan deze voorwaarde en had hij bijgevolg geen recht op een pro rata bonus.

De werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van deze aanwezigheidsvoorwaarde, maar werd hierin niet gevolgd door de arbeidsrechtbank.

De beoordeling van de arbeidsrechtbank

In eerste instantie oordeelde de arbeidsrechtbank dat de aanwezigheidsvoorwaarde niet strijdig is met de Loonbeschermingswet. Artikel 3 van deze wet bepaalt dat de werkgever de vrijheid van de werknemer om naar goeddunken over zijn loon te beschikken niet mag beknotten. Dit artikel handelt dus over een recht dat pas ontstaat nadat de werknemer het loon heeft verworven, terwijl de voorwaarde in dit geval betrekking heeft op de al dan niet verwerving van het loon.

Evenmin werd de aanwezigheidsvoorwaarde strijdig bevonden met artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Een aanwezigheidsvoorwaarde zou gezien kunnen worden als een bepaling die het recht voor de werknemer om ontslag te nemen beperkt, want door ontslag te nemen voor het einde van een bepaald fiscaal jaar verliest hij het recht op een bonus. De rechtbank oordeelde in dit geval echter dat het recht op een bonus niet afhankelijk was van het nog in dienst zijn op het moment van de uitbetaling ervan, maar van het nog in dienst zijn op het einde van het financiële jaar.

Ten slotte werd het argument dat de voorwaarde strijdig zou zijn met artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek niet gevolgd door de arbeidsrechtbank. Immers, het al dan niet in dienst zijn van een werknemer op een bepaald ogenblik is niet louter afhankelijk van de wil van de werkgever. Enkel een zuiver potestatieve voorwaarde maakt een verbintenis nietig.

Bovendien veronderstelt artikel 1178 van het Burgerlijk Wetboek het bestaan van een fout in hoofde van de werkgever. Het uitoefenen van het ontslagrecht door de werkgever is geen fout, maar maakt slechts deel uit van de gewone bedrijfsuitoefening. In dit geval maakte de werknemer niet aannemelijk dat zijn ontslag door de werkgever gegeven werd om te ontsnappen aan de betaling van de bonus. Zijn vordering werd dan ook ongegrond verklaard.

De arbeidsrechtbank besloot dus dat dergelijke aanwezigheidsvoorwaarde in deze omstandigheden wel degelijk rechtsgeldig is, waaruit volgt dat de werknemer geen recht had op een pro rata bonus voor het bonusjaar 2017.

Arbeidsrechtbank Brussel, 30 juli 2019.

Renée Vandekendelaere
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen