< Terug naar overzicht

Uitwinningsvergoeding: wie moet wat bewijzen?

Een werknemer was accountmanager met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en stond in voor de promotie van computers en randapparatuur. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd met de betaling van een opzeggingsvergoeding. De werknemer stelde na het einde van zijn arbeidsovereenkomst een aantal vorderingen in tegen zijn ex-werkgever, waaronder een vordering tot betaling van een uitwinningsvergoeding voor de beweerde aangebrachte cliënteel. Ving hij bot of kreeg hij gelijk?

De arbeidsrechtbank oordeelde dat de werknemer onvoldoende bewijs voorlegde dat hij (een geheel van) cliënteel had aangebracht. De lijst die hij voorlegde, was een eenzijdig stuk met een aantal namen van handelszaken op. Uit deze lijst bleek evenwel niet dat hij deze had bezocht, laat staan had aangebracht. Bovendien bracht hij geen enkel order bij waaruit bleek dat er een omzet werd gegenereerd bij deze klanten. De schriftelijke verklaringen van beweerde klanten hadden geen afdoende bewijskracht, gezien zij niet aan de wettelijke vereisten voldeden. Zij golden slechts als feitelijke vermoedens.
Daarnaast meende stelde de arbeidsrechtbank zich de vraag of deze handelszaken door de onderhandelingen met de werknemer zaken hadden afgesloten met de onderneming. Uit de voorgelegde verklaringen bleek immers niet dat hij finaal de onderhandelingen had gevoerd met het oog op het afsluiten van zaken en dat hij derhalve deze klanten had aangebracht. De vordering tot betaling van de uitwinningsvergoeding werd dan ook afgewezen.

Door het voorleggen van dertig nieuwe schriftelijke verklaringen en bijkomende stukken in hoger beroep, besloot het Arbeidshof dat de werknemer nu wel voldoende bewees dat hij handelsvertegenwoordiger was. Hoewel het erkende dat de meeste van de schriftelijke getuigenverklaringen niet voldeden aan de wettelijke vereisten, meende het Hof dat deze toch geloofwaardig waren en zelfs een sterke bewijswaarde hadden.
Op basis van de inhoud van de verklaringen en nieuwe stukken, meende het Arbeidshof dat hij klanten had opgespoord en bezocht met oog op het onderhandelen (over de prijzen, levering enz.) en het afsluiten van zaken (bestellingen noteren en producten verkopen). Bovendien leidde het uit een deel van de verklaringen af dat hij eveneens klanten had meegenomen van zijn vorige werkgever. Het Arbeidshof besloot dat de aanbreng van 19 klanten op een tewerkstelling van 4,5 jaar ruimschoots volstond om te kunnen spreken van aanbreng van (een geheel van) cliënteel.

Het Arbeidshof oordeelde voorts dat de ex-werkgever niet bewees dat de werknemer geen nadeel leed na het einde van de arbeidsovereenkomst. Er werd volgens het Arbeidshof ook niet voldoende aangetoond dat de nieuwe werkgever een concurrent was en dat de klanten de werknemer allen volgden naar zijn nieuwe werkgever.
In tegenstelling tot de eerste rechter concludeerde het Arbeidshof dat de werknemer recht had op een uitwinningsvergoeding.
Het statuut van handelsvertegenwoordiger wordt niet vermoed. De werknemer moet bijgevolg zelf het bewijs van dit statuut leveren. Er kan aldus pas een recht op een uitwinningsvergoeding ontstaan wanneer de werknemer bewijst dat hij het statuut van handelsvertegenwoordiger heeft, cliënteel heeft aangebracht en nadeel heeft geleden doordat hij een bepaald cliënteel verliest.

Arbeidshof Antwerpen 22 maart 2021, AR 2020/AA/39
Amélie Desmadryl
Medewerker Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen