< Terug naar overzicht

Verminderde arbeidsprestaties bij ontslag: hoe opzeggingsvergoeding berekenen?

Het staat vast dat bij ontslag de opzeggingsvergoeding in principe berekend wordt op basis van het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst. Voor de vaststelling van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding wordt voor de beëindiging van een deeltijdse arbeidsovereenkomst dus rekening gehouden met het effectieve deeltijdse loon op het ogenblik van het ontslag.

Wat echter met voltijdse arbeidsovereenkomsten die tijdelijk deeltijds uitgeoefend worden? Welk loon moet voor de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding in aanmerking genomen worden: het reële deeltijdse loon of het hypothetische voltijdse loon dat de werknemer ontving voor hij zijn arbeidsprestaties verminderde?

Het principe luidt dat rekening moet worden gehouden met het effectieve deeltijdse loon op het ogenblik van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In het verleden zijn echter twee wetswijzigingen doorgevoerd naar aanleiding van uitspraken van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof. Zo werd naar aanleiding van het arrest Meerts van 22 oktober 2009 van het Europees Hof van Justitie bepaald dat bij ontslag gedurende de opname van ouderschapsverlof, het hypothetische voltijds loon in aanmerking moet worden genomen voor de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding. Ook werd in de Arbeidsovereenkomstwet naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 mei 2009 een aanpassing doorgevoerd voor ontslag gedurende de periode van deeltijdse werkhervatting na volledige arbeidsongeschiktheid en dit met toestemming van de adviserende arts van het ziekenfonds en de werkgever. In die situatie moet men bij ontslag de opzeggingsvergoeding berekenen op basis van het loon waarop de werknemer recht zou hebben gehad volgens zijn arbeidsovereenkomst indien hij zijn arbeidsprestaties niet had aangepast. Ook oordeelde het Grondwettelijk Hof in 2013 dat voor werknemers die hun arbeidsprestaties verminderen in het kader van palliatief verlof om bijstand te verlenen aan personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden, de opzeggingsvergoeding berekend moet worden op basis van het loon dat de werknemer verdiende voor het deeltijds palliatief verlof.

Steeds leek mee te spelen dat de werknemer eigenlijk niet geheel vrijwillig in de situatie van deeltijds werk was verzeild geraakt. Externe factoren los van de loutere wil van de werknemer, speelden een belangrijke rol in het opnemen van de deeltijdse betrekking.

Recent sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over de situatie waarin de ontslagen werknemer zijn arbeidsprestaties had verminderd in het kader van cao 103 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en landingsbanen, meer bepaald op grond van het motief ‘zorgen voor een kind tot de leeftijd van acht jaar’.

Het arrest stelt, met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake ouderschapsverlof (zoals hierboven aangehaald), dat die uitspraak moet worden geplaatst binnen de context van de Europese richtlijn en de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof. Deze context is niet aan de orde in het kader van cao 103. De regeling voor ouderschapsverlof en deze voor tijdskrediet in cao 103 zijn dan ook wezenlijk verschillend.
Het Hof verwijst in het arrest ook naar de Belgische regelgeving die erin voorziet dat naast de opzeggingsvergoeding een werknemer ook een beschermingsvergoeding van zes maanden loon zou kunnen eisen indien het ontslag werd doorgevoerd om een reden waarvan de aard en de oorsprong niet vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestaties.

Het Hof besluit dat het niet strijdig is met de Grondwet om bij vaststelling van het bedrag van de opzeggingsvergoeding van een werknemer die in het kader van cao 103 zijn arbeidsprestaties heeft verminderd om voor zijn kind te zorgen, rekening wordt gehouden met het lopend loon dat overeenstemt met de verminderde activiteiten. Het al dan niet puur vrijwillig karakter van de arbeidsduurvermindering is voor het Hof geen element bij de beoordeling.

Grondwettelijk Hof, 7 november 2019, nr. 172/2019
Hanne Cattoir, advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen