< Terug naar overzicht

Voortdurende tekortkoming? Werkgever oordeelt zelf op welk ogenblik dit een dringende reden uitmaakt

Een werkgever beëindigde om dringende reden de arbeidsovereenkomst van een werknemer naar aanleiding van feiten die verband hielden met kartelvorming, wat een voortdurende tekortkoming uitmaakte. Het Hof van Cassatie oordeelde dat voor de tijdigheid van dit ontslag de vraag of één van de voor ontslag bevoegde personen reeds langer dan drie werkdagen voor het ontslag op de hoogte was van de feiten en de tekortkoming reeds als dringende reden had kunnen aanvoeren niet bepalend was.

Overeenkomstig de Arbeidsovereenkomstenwet moet de werkgever die kennis kreeg van een dringende reden binnen de drie werkdagen de arbeidsovereenkomst beëindigen. Volgens het algemene principe begint deze driedagentermijn te lopen op het ogenblik dat het feit aan de werkgever bekend is met voldoende zekerheid om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen.

De vraag rijst wanneer dit moment aanbreekt en de termijn dus van start gaat indien de werknemer geen eenmalige ernstige tekortkoming, maar wel een voortdurende tekortkoming begaat. De feiten die als dringende reden worden aangevoerd, kunnen immers ook een tekortkoming die voortduurt in de tijd zijn. De rechtspraak en rechtsleer erkent dat in dergelijk geval de werkgever zelf het tijdstip bepaalt vanaf wanneer die voortdurende tekortkoming elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Dat het niet aan de rechter is om te bepalen wanneer een gedraging een dringende reden vormt en de beoordeling in de eerste plaats aan de werkgever toekomt, werd recent nog bevestigd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 27 mei 2019. In de zaak waarover het Hof zich uitsprak, hield de tekortkoming van de werknemer verband met het organiseren en in stand houden van prijsafspraken. Gezien de feiten betrekking hadden op het ontstaan en ook het voortbestaan van een kartel, was er sprake van een voortdurende tekortkoming.

Het Arbeidshof nam aan dat, bij een voortdurende tekortkoming, de driedagentermijn aanvangt vanaf het ogenblik dat een van de voor ontslag bevoegde personen op de hoogte was van de feiten. De rechters oordeelden dat in deze zaak het ontslag niet tijdig gegeven was, omdat volgens hen de werkgever niet kon aantonen dat geen enkele zaakvoerder weet had van de kartelvorming tijdens heel deze periode.

De rechters werden echter teruggefloten door het Hof van Cassatie, dat oordeelde dat een ontslag op staande voet, gegeven binnen de drie dagen na het ophouden van de in aanmerking genomen tekortkoming, regelmatig is, ook al had de werkgever, naar het oordeel van de rechter, die tekortkomingen reeds tevoren als dringende reden kunnen aanvoeren. Aldus verantwoordden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Dit arrest bevestigt dat ter beoordeling van de tijdigheid van het ontslag wegens dringende reden in het geval van een voortdurende tekortkoming de rechter niet moet kijken naar het moment van kennisneming door een voor ontslag bevoegd persoon van de feiten, maar slechts moet nagaan of de voortdurende tekortkoming nog bestond drie werkdagen voor de dag waarop het ontslag werd gegeven.

Cass. 27 mei 2019, AR S.18.0025.N, www.juridat.be

Anouck Stabel
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen