< Terug naar overzicht

Voortzetting van de activiteit van de afdeling: kan er dan sprake zijn van ‘een sluiting’?

Alle werknemers van een afdeling worden ontslagen en de afdeling zelf wordt opgeheven. De activiteit van de afdeling wordt evenwel geabsorbeerd - en dus voortgezet - in de gewone werking van de onderneming. Vormt dit een ‘sluiting van een afdeling van de onderneming’ in de zin van de wet van 19 maart 1991, de wet die de ontslagbescherming van (kandidaat-)personeelsafgevaardigden regelt? Dan mag de werkgever immers overgaan tot ontslag zonder voorafgaande erkenning van de economische of technische ontslagreden door het bevoegd paritair comité.

Ontslag van een (kandidaat-)personeelsafgevaardigde om economische of technische redenen

Om een (kandidaat-)personeelsafgevaardigde te ontslaan om economische of technische redenen, moet de werkgever een voorafgaande procedure volgen. De werkgever moet de zaak namelijk per aangetekende brief aanhangig maken bij het bevoegd paritair comité (of bij de Nationale Arbeidsraad zo er geen paritair comité is of dit inactief is). Het paritair comité (of de Nationale Arbeidsraad) moet zich dan binnen de twee maanden vanaf de datum van de aanvraag op unanieme wijze uitspreken over het al dan niet bestaan van de economische of technische redenen.

Het paritair comité kan de economische of technische redenen erkennen of verwerpen. Indien er geen of geen tijdige unanieme beslissing wordt genomen, mag de werkgever slechts in drie gevallen overgaan tot ontslag: (i) bij sluiting van de onderneming, (ii) bij sluiting van een afdeling van de onderneming of (iii) bij ontslag van een welbepaalde personeelsgroep. In de laatste hypothese dient de werkgever bovendien voorafgaandelijk de arbeidsgerechten te vatten om het bestaan van de economische of technische redenen te laten erkennen.

Voor de werkgever is het dus van belang te weten of deze zich in één van deze drie situaties bevindt. Dit is niet altijd eenduidig. Zo rees de vraag of er sprake kan zijn van ‘sluiting van een afdeling van de onderneming’ wanneer de activiteit binnen de afdeling wordt stopgezet, maar deze elders - al dan niet binnen de onderneming zelf - wordt voortgezet. Is het met andere woorden voldoende om na te gaan of de activiteit op het niveau van de afdeling is stopgezet? Of moet worden nagegaan of de activiteit op zich definitief is stopgezet? Over deze kwestie bogen het arbeidshof van Brussel en het Hof van Cassatie zich recent opnieuw.

Het oordeel van het arbeidshof Brussel: sluiting

Een werkneemster, die effectief lid was van het CPBW, werd tewerkgesteld binnen de Academy-afdeling van een Belgische onderneming die behoorde tot een internationale groep actief in de verkoop van bussen en trucks. De Academy-afdeling stelde in de Benelux dertien werknemers te werk en bood opleidingen aan: technische, sales- en managementsopleidingen.

Aangezien de werkingskosten van de Academy-afdeling te hoog waren, werd op de ondernemingsraad de intentie aangekondigd om deze afdeling te sluiten. Een informatie- en consultatieprocedure werd gevolgd, waarna de werkgever aan het bevoegd paritair comité vroeg om de economische ontslagreden te erkennen. Doordat het paritair comité niet in staat was om een eenparige beslissing te nemen, ging de werkgever finaal over tot ontslag op basis van de veronderstelling dat er sprake was van de sluiting van een afdeling.

De betrokken werkneemster vorderde nadien de betaling van een beschermingsvergoeding. Naast het argument dat de Academy-afdeling niet beschouwd kon worden als een ‘afdeling’ in de zin van de wet van 19 maart 1991 – een argument dat zowel in eerste als tweede aanleg van de hand werd gewezen –, voerde zij aan dat er geen sprake kon zijn van een ‘sluiting’, aangezien de Academy-activiteit binnen de gewone werking van dezelfde onderneming werd voortgezet.

In tegenstelling tot de rechter in eerste aanleg, aanvaardde het arbeidshof dit argument niet. Het verwees naar bestaande rechtspraak, waarin werd geoordeeld dat niet de stopzetting van de activiteit op zich moet worden nagegaan, maar de stopzetting van de activiteit die door de afdeling wordt uitgeoefend. In lijn daarmee besloot het arbeidshof dat de integratie van de Academy-activiteit binnen de gewone werking van onderneming niets afdoet aan de sluiting van de afdeling.

Volgens het arbeidshof ging het dus om een ‘sluiting van een afdeling van de onderneming’ in de zin van de wet van 19 maart 1991. Bijgevolg mocht de werkgever zijn overgegaan tot ontslag van de beschermde werkneemster en was er geen beschermingsvergoeding verschuldigd.

Het Hof van Cassatie grijpt in: geen sluiting

Hoewel het arbeidshof in navolging van bestaande rechtspraak had geoordeeld dat er in casu sprake was van een ‘sluiting van een afdeling’ ook al werd de activiteit van de afdeling geïntegreerd in de onderneming, floot het Hof van Cassatie het arbeidshof terug.

Volgens het Hof van Cassatie konden de appelrechters “die aldus vaststellen dat de hoofdactiviteit van de Academy-afdeling niet werd stopgezet maar door andere werknemers van de onderneming werd voortgezet” niet wettig oordelen dat de opheffing van de Academy-afdeling een ‘sluiting van een afdeling van de onderneming’ vormt in de zin van de wet van 19 maart 1991.

Dit arrest leert ons dat een voortzetting van de activiteit van de afdeling wel degelijk een rol kan spelen bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een ‘sluiting van een afdeling van de onderneming’ in de zin van de wet van 19 maart 1991.

Cass. 4 oktober 2021, S.20.0051.N, www.juportal.be; Arbh. Brussel 14 januari 2020, AR 2018/AB/953, www.juportal.be.

Charlotte Pil
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen