De medewerkster betwistte niet dat zij aanvankelijk gekozen hadden voor een zelfstandige samenwerking, maar stelde dat haar nieuwe rol haar werd ‘opgelegd’ door de onderneming en dat zij sindsdien in werkelijkheid als bediende heeft gewerkt ‘onder het gezag’ van haar (beweerde) werkgever.
Cruciaal bij dergelijke betwistingen is de vraag of er al dan niet in ‘ondergeschikt verband’ werd gewerkt. Om het bestaan of de afwezigheid van een dergelijke gezagsverhouding te beoordelen, houdt de rechter, naast de wil der partijen, ook rekening met de vrijheid van organisatie van werk en werktijd, en met de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen. De arbeidsrechtbank te Brussel onderzocht elk van deze elementen.
Werk vrij organiseren?
De ‘wil van de partijen’ (de gekozen kwalificatie van de overeenkomst) wees volgens de arbeidsrechtbank op de keuze voor een zelfstandige samenwerking. Volgens de arbeidsrechtbank bleef de medewerkster – die in deze zaak eisende partij was en dus de bewijslast draagt – in gebreke om aan te tonen dat zij haar werk en/of werktijd niet vrij kon organiseren.
De verplichting tot verantwoording van haar afwezigheid wegens ziekte en vakantie wijst volgens de arbeidsrechtbank niet op een gezagsverhouding. Volgens de rechtbank zou het gaan om een administratieve regeling, die evenzeer kan gelden bij een zelfstandige samenwerking.
Ook het feit dat de medewerkster haar werk uitvoerde binnen de grotere organisatie van de onderneming, werd niet als een indicatie beschouwd van het feit dat zij haar werk niet vrij zou kunnen organiseren. Ook het maken van afspraken is niet onverenigbaar met een zelfstandige samenwerking. Het feit dat partijen rapporten opstelden en vergaderingen hielden om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen wijst volgens de arbeidsrechtbank evenmin op het bestaan van hiërarchische controle en, bijgevolg, van een gezagsverhouding – die cruciaal is om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst.
Houding na de beëindiging
De arbeidsrechtbank hield ook rekening met de houding van de medewerkster tijdens en na de beëindiging van de samenwerking. Zowel tijdens als onmiddellijk na de samenwerking werd de wijze van samenwerking (op zelfstandige basis) door haar niet betwist. De arbeidsrechtbank verklaarde de vorderingen van de medewerkster (die allen gesteund waren op het bestaan van een arbeidsovereenkomst met haar voormalige opdrachtgever) dan ook ongegrond.
Dit vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel bevestigt de gangbare rechtspraak inzake schijnzelfstandigheid, die het belang van een goed opgestelde overeenkomst – waaruit de keuze van de partijen voor een zelfstandige samenwerking blijkt – in de verf zet. Dit vonnis toont bovendien aan dat ook de manier waarop de overeenkomst in de praktijk wordt uitgevoerd van belang is bij de beoordeling van een betwisting m.b.t. de aard van de samenwerking.
Arbeidsrechtbank Brussel, 19 april 2010, AR nr. 672/09