Tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen blijft een actueel thema. De RVA voert hierop momenteel talrijke controles uit. Binnen dit kader rijst regelmatig de vraag of het karakter van de werkloosheid niet eerder structureel is en of het gebrek aan werk reëel is. In haar vonnis van 2 juni 2026 gaf de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Gent een opvallend antwoord op deze vraag.
Feiten
Een werkgever actief in het personenvervoer maakte tijdens de coronacrisis en in de daaropvolgende periode gebruik van tijdelijke werkloosheid voor verschillende werknemers. In eerste instantie was de tijdelijke werkloosheid gebaseerd op corona-overmacht. Nadien deed de werkgever beroep op tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen.
Eén werknemer sprong eruit, omdat hij gedurende een lange periode onafgebroken tijdelijk werkloos bleef. Dit kwam onder andere doordat de werknemer door de coronamaatregelen het overeengekomen werk niet langer kon uitvoeren. Hoewel de werkgever aangepast werk heeft aangeboden, weigerde de werknemer dit.
De RVA was van oordeel dat de werkgever voor deze werknemer oneigenlijk gebruik had gemaakt van de tijdelijke werkloosheid, en dit zowel wegens corona-overmacht als wegens economische redenen. Volgens de RVA was het een bewuste organisatorische keuze van de werkgever om de werknemer, ondanks zijn onwil om het aangepast werk te doen, in dienst te houden. Daarnaast verwees de RVA naar het feit dat binnen de onderneming nieuwe chauffeurs werden aangeworven. Voor de RVA wees dit erop dat er weldegelijk voldoende werk was binnen de onderneming.
De werkgever kon zich niet vinden in deze beslissing en vocht deze aan voor de arbeidsrechtbank.
Beoordeling van de arbeidsrechtbank
Wat de tijdelijke werkloosheid wegens corona-overmacht betreft, volgde de rechtbank de argumentatie van de werkgever dat de coronamaatregelen een aanzienlijke impact hadden gehad op de activiteiten van de onderneming. Door te verwijzen naar de algemene tijdelijke werkloosheidscijfers binnen de onderneming op dat moment, toonde de werkgever voldoende aan dat er daadwerkelijk een gebrek aan werk was ten gevolge van de coronapandemie. De tijdelijke werkloosheid wegens corona-overmacht werd dan ook integraal aanvaard.
Het beroep op de tijdelijke werkloosheid wegens economische redenen in de daaropvolgende periode, was voor de arbeidsrechtbank minder vanzelfsprekend. De rechtbank was immers van oordeel dat een deel van de langdurige onafgebroken periode van tijdelijke werkloosheid te wijten was aan de beperkte inzet van de werknemer en het uitblijven van corrigerende maatregelen van de werkgever.
Anderzijds was er volgens de arbeidsrechtbank nog steeds sprake van een objectief werkgebrek binnen de onderneming. Dit werd onder meer afgeleid uit het feit dat verschillende andere werknemers in die periode eveneens op tijdelijke werkloosheid werden gezet wegens een gebrek aan werk.
Om de omvang van dit werkgebrek te bepalen keek de arbeidsrechtbank vervolgens naar het gemiddeld aantal dagen tijdelijke werkloosheid van de overige werknemers binnen de onderneming. Dit gemiddelde werd dan als maatstaf gebruikt voor het objectieve werkgebrek binnen de onderneming. Op basis hiervan aanvaardde de rechtbank uiteindelijk 67 dagen tijdelijke werkloosheid voor de betrokken werknemer.
Conclusie
Opvallend in dit vonnis is dus dat de arbeidsrechtbank het gemiddeld aantal dagen tijdelijke werkloosheid binnen een afdeling of onderneming als maatstaf gebruikt heeft om zowel het bestaan als de omvang van het gebrek aan werk te bepalen. Het valt uiteraard af te wachten of andere rechtbanken deze tendens zullen volgen.
Bron: Arbrb. Gent, afdeling Gent 2 juni 2026, AR 25/610/A, onuitg.

Marte Geldhof
Advocaat