De arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare sprak zich bij vonnis van 1 april 2026 uit over een werknemer die na het einde van de arbeidsovereenkomst de betaling van overuren vorderde. De rechtbank preciseerde daarbij de bewijslast die op de werknemer rust.
Feiten
De werknemer was van mei 2017 tot en met oktober 2020 tewerkgesteld als vrachtwagenchauffeur. Als chauffeur was de werknemer gehouden de tachograafschijf manueel te bedienen. Het was aldus de werknemer zelf die registreerde wat zijn rijtijd, rusttijd/pauze en beschikbaarheidstijd was.
Deze gegevens werden vervolgens door de werkgever verwerkt in prestatiebladen, die door de werknemer moesten worden gevalideerd en ondertekend. Op basis van deze prestatiebladen werden de loonfiches opgesteld. Gedurende het overgrote deel van de tewerkstelling maakte de werknemer bij de ondertekening van de prestatiebladen geen opmerkingen. Dit veranderde evenwel in juli 2020, kort vóór het einde van de arbeidsovereenkomst, toen de werknemer opeens weigerde de prestatiebladen te ondertekenen.
Acht maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst trok de werknemer naar de rechtbank om bijkomend loon voor overuren te vorderen.
Beoordeling door de arbeidsrechtbank
In dit vonnis herhaalt en bevestigt de arbeidsrechtbank de voornaamste principes inzake de bewijslast bij het vorderen van overuren. Het komt aan de werknemer toe om zowel het bestaan als de omvang van de effectief gepresteerde overuren aan te tonen, evenals dat deze werden verricht op verzoek of met goedkeuring van de werkgever. De arbeidsrechtbank verduidelijkt bovendien dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de verplichting tot invoering van een objectief en betrouwbaar arbeidstijdregistratiesysteem nog niet is omgezet in Belgische wetgeving, zodat daaruit geen bewijslastverschuiving kan worden afgeleid.
In deze zaak deden de volgende elementen de arbeidsrechtbank ertoe besluiten dat de werknemer de op hem rustende bewijslast niet had vervuld:
- De werknemer bediende manueel de tachograaf en bezorgde de geregistreerde gegevens, op basis waarvan de werkgever de prestatiebladen opstelde.
- Deze prestatiebladen werden door de werknemer gedurende een lange periode zonder voorbehoud gevalideerd en ondertekend.
- Gedurende vrijwel de volledige tewerkstelling formuleerde de werknemer geen opmerkingen bij de ondertekening van de prestatiebladen.
- De stukken waarop de werknemer zich naderhand ter staving van zijn overurenvordering beriep, werden nooit eerder aan de werkgever voorgelegd.
Rekening houdend met deze elementen besluit de arbeidsrechtbank dat de vordering ongegrond is, aangezien de werknemer niet slaagt in de op hem rustende bewijslast om de realiteit en de omvang van eventuele overuren aan te tonen.
Take away
Het vonnis bevestigt de voornaamste principes inzake de bewijslast bij overuren en benadrukt dat een consistent toegepast tijdsregistratiesysteem nuttig kan zijn voor werkgevers om vorderingen inzake overloon te betwisten.
Arbeidsrechtbank Gent, afdeling Roeselare 1 april 2026, AR 21/604/A, onuitg.

Zoë Daem
Advocaat