Zo bepaalt artikel 22ter van de RSZ-wet dat bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale uurroosters, de deeltijdse werknemers vermoed worden arbeid te hebben verricht in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst. Lange tijd bestond er discussie over de draagwijdte van dit wettelijk vermoeden, meer bepaald over het al dan niet weerlegbaar karakter ervan.
Mag de werkgever – om de betaling van sociale-zekerheidsbijdragen op voltijds loon te vermijden – proberen te bewijzen dat de werknemer in werkelijkheid slechts deeltijds werkte of niet? De rechtspraak beantwoordde deze vraag positief en oordeelde dat het vermoeden weerlegbaar was.
In 2004 werden bovenbedoelde bepalingen in de RSZ-wet echter gewijzigd. Hiermee wilde de wetgever een einde maken aan de soepele interpretatie van de rechtspraak. De Memorie van Toelichting bij de wetswijziging verduidelijkt dat het de bedoeling was om het vermoeden onweerlegbaar te maken. Niettemin spreekt de gewijzigde wettekst nog steeds van een ‘vermoeden’ en niet van een ‘onweerlegbaar vermoeden’.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de discussie over de draagwijdte van het vermoeden bleef aanhouden. Met een recent arrest lijkt het Hof van Cassatie nu een einde te hebben gemaakt aan de aanhoudende discussie. Het Hof oordeelde dat het vermoeden van voltijdse tewerkstelling nog steeds weerlegbaar is en verwees hierbij naar de tekst van het artikel. Hierin wordt niet expliciet vermeld dat het vermoeden onweerlegbaar zou zijn.
Met het feit dat de Memorie van Toelichting bij het artikel aangeeft dat het de bedoeling was een onweerlegbaar vermoeden in te voeren, kan volgens het Hof van Cassatie geen rekening gehouden worden, aangezien een Memorie van Toelichting aan een wetsbepaling geen draagwijdte kan geven die niet met de wettekst zelf overeenstemt.
Benieuwd of hiermee het doek nu eindelijk gevallen is of de RSZ (opnieuw) zal aansturen op een wetgevend initiatief om een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse tewerkstelling in te voeren…
Hof van Cassatie, 7 februari 2011, S. 00.0056. N/7