Met de jobkaart kan de jongere één tot zes maanden in het bedrijf aan de slag, zij het dan om ondertussen ook opgeleid te worden op de werkvloer. De werkloosheidsuitkering loopt al die tijd gewoon verder en het bedrijf betaalt er nog wat bovenop om de mogelijke effectieve arbeid te vergoeden.
Dat Vlaamse initiatief zint de federale minister van Arbeid Laurette Onkelinx (PS) evenwel niet. Ze spreekt haar veto uit, waardoor de jobkaart verhuist naar het overlegcomité tussen de federale overheid en de deelstaatregeringen. De RVA en de federale kopstukken (niet noodzakelijk de Vlaamse) van vakbonden en werkgevers wijzen de Vlaamse jobkaart eveneens af. De RVA wil zelfs de werkloosheidsuitkeringen voor de houders van een jobkaart opheffen.
Dit is het zoveelste conflict over arbeidsbemiddeling tussen Vlaanderen en de federale overheid. Blijkbaar hebben de Franstaligen en de federale echelons van de sociale partners schrik dat hun prominente rol op de arbeidsmarkt en in het sociaal overleg uitgehold wordt door initiatieven van de (Vlaamse) deelstaat.