In juli 2007 kreeg de werknemer te horen dat hij zijn functie in Kameroen niet langer zou mogen uitoefenen. Hij kreeg een e-mail waarin werd gemeld dat hij vanaf 1 september 2007 in Brussel zou worden tewerkgesteld, maar dat het nog niet duidelijk was welke functie hij daar zou uitoefenen.
Pas op 22 augustus 2007 kreeg hij meer informatie over zijn nieuwe functie en loonpakket. De werknemer protesteerde onmiddellijk tegen deze aangekondigde eenzijdige wijzigingen aan zijn arbeidsovereenkomst. Hij ging niet akkoord met de ingrijpende functiewijziging, noch met een aanzienlijk loonverlies. Hij merkte ook op dat de aangekondigde wijzigingen verregaande gevolgen zouden hebben voor zijn gezin, aangezien hij op korte termijn zou moeten verhuizen naar België.
Kort geding
De werknemer startte een procedure voor de arbeidsrechtbank te Brussel, waarbij hij vroeg om zijn arbeidsovereenkomst gerechtelijk te ontbinden, gelet op de contractuele tekortkomingen van zijn werkgever (de ingrijpende eenzijdige wijzigingen aan zijn arbeidsovereenkomst).
In afwachting van het vonnis van de arbeidsrechtbank (dat pas midden 2008 kon worden verwacht), heeft de werknemer ook een kortgedingprocedure gestart voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank. De werknemer eiste in kort geding dat de beslissing van de werkgever om zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen, zou worden geschorst.
Hij vroeg ook om zijn werkgever het bevel op te leggen om hem verder te werk te stellen in zijn oude functie, aangezien hij sinds midden september eenzijdig werd vrijgesteld van arbeidsprestaties in Kameroen. De werkgever had zelfs al een vervanger aangesteld die zijn functie had overgenomen.
Schorsen
De voorzitter in kort geding merkte op dat het niet kon worden betwist dat er sprake was van een eenzijdige wijziging van de functie. Hij voegde er wel aan toe dat de vraag naar de (on)rechtmatigheid van deze eenzijdige wijziging niet in kort geding kan worden beslecht, maar wel in het kader van de procedure ten gronde voor de arbeidsrechtbank.
De voorzitter stelde ook vast dat de werkgever sinds midden september heeft nagelaten om werk te verschaffen aan de werknemer, wat een schending uitmaakt van zijn wettelijke verplichtingen als werkgever. De voorzitter verduidelijkte dat hij de partijen niet kan dwingen om de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren als de arbeidsovereenkomst al is beëindigd, maar dat hij een werkgever wél kan bevelen om de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren wanneer deze eenzijdig heeft beslist om de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te schorsen.
Herstel
De voorzitter volgde dus de redenering van de werknemer en legde de werkgever het bevel op om de werknemer te herstellen in zijn functie en om de arbeidsovereenkomst verder uit te voeren tot wanneer de partijen zelf een akkoord zouden sluiten over de wijziging van de arbeidsovereenkomst of tot wanneer er een einde zou worden gesteld aan de arbeidsovereenkomst (hetzij door één van de partijen of door beide, hetzij door de arbeidsrechtbank).
Voorzitter Arbeidsrechtbank Brussel, 25 oktober 2007, nr. kort geding 61/07