Het Hof van Cassatie oordeelde dat de concurrentievergoeding alleen maar vrijgesteld is van RSZ-bijdragen wanneer de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:
●1. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst mag nog geen niet-concurrentiebeding bevatten.
●2. De niet-concurrentie-overeenkomst mag pas ten vroegste na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden gesloten.
●3. De concurrentievergoeding mag geen ‘verdoken verbrekingsvergoeding’ zijn.
In een recent arrest heeft het Hof van Cassatie de voormelde principes lichtjes bijgeschaafd. Het Hof werd geconfronteerd met een situatie waarin er twee werknemers werden opgezegd (door de werkgever), maar waarbij vervolgens een overeenkomst werd gesloten omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst mits uitbetaling van een opzeggingsvergoeding. De partijen sloten op dezelfde dag (na de betekening van de opzeg) twee overeenkomsten: een dading (betreffende de opzeggingsvergoeding en de datum waarop de arbeidsovereenkomst een einde zou nemen) en een niet-concurrentie-overeenkomst die voorzag in de uitbetaling van een concurrentievergoeding.
Cruciaal daarbij is dat er in de dading werd bepaald dat er pas daags nadien een einde zou komen aan de arbeidsovereenkomst. Met andere woorden: op het ogenblik van de ondertekening van de niet-concurrentie-overeenkomst was de opzeg wel al betekend, maar was er nog geen einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De hamvraag waarmee het Hof van Cassatie geconfronteerd werd betrof het lot van de concurrentievergoeding: is zij vrij van RSZ of dient zij gekwalificeerd te worden als loon?
Het Hof van Cassatie heeft deze zaak aangegrepen om zijn eerdere rechtspraak uit 2003 verder te verfijnen. Het Hof oordeelde dat wanneer er in de arbeidsovereenkomst geen concurrentiebeding is voorzien, het mogelijk is om ná de betekening van de opzeg, maar vóór het werkelijk einde van de arbeidsovereenkomst al een niet-concurrentie-overeenkomst te sluiten, waarbij de concurrentievergoeding vrij van RSZ kan zijn. Het Hof oordeelde dat in deze situatie de concurrentievergoeding niet werd uitbetaald als verdoken verbrekingsvergoeding, aangezien zij niet wordt toegekend naar aanleiding van (het einde van) de arbeidsovereenkomst, maar wel naar aanleiding van een latere overeenkomst.
Deze rechtspraak relativeert enigszins het belang van het ogenblik waarop de niet-concurrentie-overeenkomst wordt gesloten. Opdat de vergoeding wegens niet-concurrentie vrijgesteld zou zijn van sociale-zekerheidsbijdragen, dient deze overeenkomst niet noodzakelijk te worden gesloten na het effectieve einde van de arbeidsovereenkomst. Dat laatste neemt uiteraard niet weg dat de vrijstelling van sociale-zekerheidsbijdragen steeds vereist dat de concurrentievergoeding geen ‘vermomde opzeggingsvergoeding’ mag uitmaken.
Hof van Cassatie, 19 maart 2012, AR S.10.0114.F/1, onuitg.