Het beeld dat jonge mensen (16-35 jarigen) carrière willen maken, is anno 2011 eerder een zeldzaamheid. Ze leven niet meer om te werken en de top te bereiken, maar ze werken om te leven. De helft van de 20-35 jarigen ziet werken als een vorm van bezigheidstherapie.
Niets opgeven
Slechts een minderheid van de jongeren wil zich aanpassen aan hun werkgever. Zij vragen zich niet af wat ze voor het bedrijf kunnen betekenen, maar eerder wat het bedrijf voor hen kan betekenen. Slechts 34,3 procent van de 20-35 jarigen is bereid zich volledig om te scholen, 42 procent meer te presteren dan contractueel is vastgelegd en 45 procent is bereid taken uit te voeren die niet binnen het vooropgestelde takenpakket vallen.
Jongeren die werken willen niets opgeven. Alle activiteiten die ze deden toen ze nog niet werkten, zetten ze gewoon verder. Na de werkuren staan hun agenda’s vol. Ze werken vooral om te leven. Ze hechten heel veel belang aan vrije tijd en vakantie. Vrienden en familie komen op de eerste plaats, daarna komt de carrière. Meestal gewoon omdat het er nu eenmaal bij hoort. Jonge werknemers hechten dan ook veel belang aan de balans werk-privé.
Werken is niet altijd nodig om te kunnen leven. 20-35-jarigen hebben anno 2011 nog niet al te veel verantwoordelijkheden en kunnen dus best een periode zonder werk. Bovendien zien ze om zich heen mensen die een leven lang een werkloosheidsuitkering ontvangen.
Weinig ambitie
Vier op de tien Vlamingen droomt ervan carrière te maken, mannen meer dan vrouwen. Als ze moeten kiezen, geeft twee derde het gezin voorrang op de job. Er is vooral veel ontevredenheid over de werk-gezinsbalans. Vooral vrouwen grijpen daarvoor naar alle mogelijke systemen van gesubsidieerd deeltijds werk, zoals ouderschapsverlof en tijdskrediet. De werkgevers ervaren dat dan weer als een grote last.
Zowel de werknemers als de werkgevers zijn voorstander van flexibiliteit in de job, maar beide groepen vullen het begrip wel anders in. Zo willen de werknemers glijdende werkuren, kinderopvang op kosten van het bedrijf en de mogelijkheid om thuis te werken.
Werkgevers verlangen dan weer dat hun werkkrachten overuren willen maken, standby zijn tijdens weekends of vakantie en werk uitvoeren dat buiten hun takenpakket valt. Zeven op de tien Vlamingen zijn wel bereid overuren te doen, maar alleen als ze gecompenseerd worden met vakantie of tegen betaling.
Eén op de drie Vlamingen wil stoppen met werken op 60 jaar. Bij de min-20-jarigen verwacht zelfs 15 procent om op z’n 50ste te stoppen.
Bron: De Standaard/ESF