Het centrum wil niet zozeer de winkelketen viseren, maar wil principiële duidelijkheid, zodat bedrijven weten waar ze aan toe zijn. Daarom vraagt het aan de rechter om een prejudicieel advies in te winnen bij het Europees Hof van Justitie.
Volgens het gelijkekansencentrum zeggen commerciële bedrijven steeds vaker dat ze neutraliteit willen uitstralen en gebruiken dit argument om hun personeel te verbieden een hoofddoek te dragen.
“De Europese en Belgische wetgeving rond discriminatie op grond van geloof of levensbeschouwing voorziet een uitzondering voor ‘tendensondernemingen’, zoals een christelijk rusthuis of een vrijzinnige vereniging. De wetgever wilde voorkomen dat zij hun eigenheid zouden moeten verloochenen. Daardoor zou de fundamentele vrijheid van geloof en levensbeschouwing in het gedrang komen. Nu ijveren sommigen ervoor om ’neutraliteit’ als een geloof of levensbeschouwing te laten erkennen, zodat een ‘neutrale’ onderneming als een tendensonderneming beschouwd kan worden”, zegt Jozef De Witte, directeur van het Centrum.
Zelf afspraken maken
Unizo noemt het streven van het Centrum om juridische duidelijkheid te scheppen voor andere bedrijven principe positief, maar het mag daar niet stoppen. “Een juridisch discours is niet genoeg. Er is een grondig onderzoek nodig naar instrumenten om werkgevers te sensibiliseren hoe ze met discriminerende klanten moeten omgaan.”
Daarnaast benadrukt Unizo dat er niets verkeerd is met het beleven van de eigen godsdienst, maar dat dit het werk niet mag hinderen. Bovendien wijst de organisatie erop dat het debat verder gaat dan de ondernemers alleen. “Dit is een breder maatschappelijk discours.”
Volgens NSZ-voorzitter Christine Mattheeuws is de reactie van het Centrum ongepast. “Werkgevers moeten zelf kunnen uitmaken of hoofddoeken, kruisjes, keppeltjes of andere religieuze symbolen toegelaten zijn voor hun werknemers. Vaak verbieden zij dergelijke symbolen omdat de klant zich daaraan stoort.”